Geomorfologie van de Hondsrug
De geomorfologie van de Hondsrug is opnieuw gekarteerd, dit is wat er is veranderd.
Geomorfologische kaart van Nederland
Geomorfologie is de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van de vormen van het aardoppervlak en de processen die bij het ontstaan daarvan een rol spelen of hebben gespeeld. De geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000 beschrijft de in Nederland voorkomende landvormen.
Gebruik
De geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000 speelt een centrale rol in ruimtelijke vraagstukken. De vorm van het aardoppervlak en eigenschappen van de ondergrond bepalen hoe water door het landschap stroomt, waar bepaalde vegetatie zich kan ontwikkelen en welke locaties het meest geschikt zijn voor bewoning, zowel in het verleden als in het heden. Geomorfologie staat dus aan de basis van klimaatadaptatie, natuurbeheer, landschappelijke archeologie en voorlichting over landschapsgeschiedenis en aardkundige waarden.
Legenda
De legenda van de geomorfologische kaart beschrijft van elke eenheid op de kaart tot welke (sub)groep de landvorm wordt gerekend, de mate van het reliëf en de genese of ontstaanswijze.
Actualisatie
Sinds 2020 is de geomorfologische kaart van Nederland onderdeel van de basisregistratie ondergrond (BRO). Met opname in de BRO is er een wettelijke taak om de geomorfologische kaart te onderhouden en te actualiseren. De nauwkeurigheid en het detail van de verouderde kaartbladen van de geomorfologische kaart voldoen namelijk niet meer aan de huidige eisen. Vandaar dat de Geomorfologische kaart van Nederland in de komende jaren stapsgewijs wordt geactualiseerd. Op de interactieve kaart hiernaast is te zien wanneer de laatste actualisatie van de geomorfologische kaart per gebied is toegevoegd.
De actualisatie gebeurt in een GIS-omgeving aan de hand van digitaal geografisch bronmateriaal. De basis voor de actualisatie is het Algemeen Hoogtebestand Nederland (AHN), waarop de meeste landvormen goed te herkennen zijn. Met ander bronmateriaal kan de ontstaanswijze en eventuele afwijkende sedimentpakketten vastgesteld worden. Voorbeelden van dit bronmateriaal zijn andere BRO-modellen, zoals de Bodemkaart en GeoTOP, geologische en bodemkundige boorgegevens en historisch en moderne topografische kaarten. Daarnaast wordt er ook gebruik gemaakt van lokale ondergrondgegevens. De digitale actualisatie wordt geverifieerd in het veld, door middel van grondboringen en landschapswaarnemingen.
Geomorfologie van de Hondsrug
In 2020 is in opdracht van de Provincie Drenthe de geomorfologische kaart van Geopark De Hondsrug geactualiseerd. Het unieke landschap van de Hondsrug is gevormd door ijs, wind en water. Sinds de prehistorie heeft de mens het landschap naar zijn hand gezet. Het resultaat is een complex landschap met een schakering van landvormen.
Het gebied
De Hondsrug en omliggende ruggen zijn ijsstroomheuvelruggen , ook wel ‘megaflutes’ genoemd. Deze prominente ruggen liggen voornamelijk in het oosten van de provincie Drenthe en hebben een oriëntatie van noordwest naar zuidoost. Tussen de ruggen liggen uitgesleten dalen welke gevuld zijn met ijssmeltwater - en sneeuwsmeltwaterafzettingen . Het keileem dat hier oorspronkelijk in lag is grotendeels verdwenen. Dit is nog wel aanwezig ten westen van de Hondsrug, op het keileemplateau. De dalen worden doorkruist door Holocene beekdalen . Over het hele gebied is in het Weichselien een laag dekzand afgezet. Dit is lokaal gaan verstuiven .
Verschil in geomorfologie van de Hondsrug tussen de geomorfologische kaart versie 2019 (links) en de geactualiseerde kaart 2020 (rechts).
Op het eerste oog lijken de oude en geactualiseerde geomorfologische kaart op elkaar, maar als we de kaarten in meer detail bekijken worden er steeds meer veranderingen zichtbaar. Zo is de begrenzing van veel landschapsvormen verbeterd, zijn er meer individuele vormen gekarteerd, zijn de classificaties waar nodig verbeterd en komt de ontstaanswijze van het landschap beter tot zijn recht in het kaartbeeld. Daarnaast is er ook onder bebouwing en water door gekarteerd, waardoor de opvallende gaten in de oude geomorfologische kaart nu zijn opgevuld.
In de volgende secties lichten we de veranderingen in de kartering van twee landschapsvormen toe. Dit zijn stuifzandgebieden en periglaciale laagten.
Stuifzandgebieden
Verschillen tussen stuifzandvormen en dekzandvormen zijn soms lastig te zien op een hoogtekaart. Het is daarom moeilijk om deze vormen zonder aanvullend onderzoek correct te karteren en classificeren. Voor de actualisatie van de geomorfologische kaart van Geopark de Hondsrug is daarom een landschapsgenetisch onderzoek naar de stuifzanden in het gebied uitgevoerd. Het studiegebied is het Molenveld, een heidegebied nabij Exloo, en de daarop liggende rug genaamd de Leewal.
Uit dit landschapsgenetisch onderzoek bleek dat grote stuifzandgebieden ontstonden in de dalen tussen de keileemruggen en zich over de flanken van de keileemruggen hebben uitgewaaierd in de dominante zuidwestelijke windrichting. Dit patroon is zichtbaar in de meeste stuifzandgebieden in Geopark de Hondsrug.
In de volgende conceptuele doorsnede van het gebied worden de verschillende stappen in het ontstaan van de Leewal en de stuifzanden uitgelegd.
1. De basis van het huidige landschap is een dikke laag fijn zand die in het Elsterien, een ijstijd, werd afgezet. Dit fluvioglaciale zand is redelijk goed bestand tegen verstuiving en wordt Peelozand genoemd.
2. In de voorlaatste ijstijd, het Saalien, bereikt het landijs Nederland en bedekte dit gebied met een laag dikke keileem. Het licht glooiende reliëf van het onderliggende Peelozand werd behouden. Door drukverschillen onder het ijs was deze bedekking niet overal evenredig.
3. Tegen het eind van het Saalien smolt het landijs relatief snel waardoor enorme hoeveelheden water moesten worden afgevoerd. Het water volgde het reliëf waardoor in de relatief lage delen van het landschap de laag keileem verdween door erosie. Hierdoor ontstonden dalen waar het Peelozand aan de oppervlakte lag.
4. Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien, werd een groot deel van Nederland bedekt door een laag dekzand. Op dit pakket ontstonden (parabool)duinen die zich verplaatste over het onderliggende landschap. Sommige van deze duinen stuitten op knikpunten in het landschap waar ze vast kwamen te liggen, bijvoorbeeld op een keileemrug. Een van deze duinen is de Leewal, die eigenlijk bestaat uit meerdere paraboolduinen.
5. In het Holoceen werd het klimaat natter en warmer waardoor vegetatie en veen kon gaan groeien. Doordat het keileem in de dalen weg was kon water vrij infiltreren, terwijl het ondoorlatende keileem op de ruggen het water vasthield. Hierdoor was het dekzand in de drogere dalen gevoeliger voor verstuiving. Het weghalen van de vegetatie voor landbouw heeft een grootschalige verstuiving van dekzand veroorzaakt, van de droge laaggelegen dalen naar de nattere hooggelegen keileemruggen.
Door het landschapsgenetische onderzoek is er nu meer bekend over het ontstaan en ligging van stuif- en dekzandvormen op de Hondsrug. De Leewal en het Molenveld zijn namelijk niet de enige gebieden waar dit proces zich heeft afgespeeld. Op basis van vorm en locatie kunnen we nu een beter onderscheid maken tussen dekzand- en stuifzandvormen.
Periglaciale laagten
Een andere verandering in de geactualiseerde geomorfologische kaart is de classificatie van periglaciale laagten. Dit zijn kenmerkende laagten in het landschap die zijn gevormd tijdens de laatste ijstijd (periglaciale condities). Er zijn verschillende ontstaanswijzen voor de vormen. De twee meest voorkomende vormen zijn pingoruïnes en uitblazingskommen.
Uitblazingskommen zijn geïsoleerde laagten (veelal tussen dekzandwelvingen) in zandgebieden. Deze depressies zijn gevormd doordat de wind het dekzand op sommige locaties heeft uitgeblazen tot op een vochtige of slecht doorlatende onderliggende laag. De gevormde laagte is relatief ondiep (tot maximaal 2,5 meter) en kan gevuld zijn met water of venig materiaal.
Pingoruïnes zijn de overblijfselen van pingo’s. Dit zijn heuvels gevormd door ondergrondse ijslenzen die in periglaciale omgevingen ontstonden op locaties waar grondwater naar het oppervlak stroomde door de permafrost. Na het smelten van de ijslenzen bleef er een laagte achter in het landschap die tot wel 20 meter diep kan zijn. Deze depressies vulden zich in de loop van tijd met gyttja (organisch sediment) en met een dik pakket veen.
Doorsnede van een uitblazingskom en een pingoruïne (W. de Gans, 2006)
Op een digitaal hoogtemodel, zoals het AHN, zijn deze twee typen landschapsvormen niet te onderscheiden, omdat ze niet verschillen in vorm, maar in ontstaanswijze. Deze vormen zijn zonder gedetailleerde ondergrondgegevens dus niet van elkaar te onderscheiden. Op de geomorfologische kaart is er daarom voor gekozen om periglaciale laagten onder te verdelen in drie verschillende klassen: pingoruïnes (N21), uitblazingskommen (N51) en overige periglaciale laagten (N22). De laatste klasse omvat alle laagten waarvan nog niet is vastgesteld door middel van veldwerk wat de precieze ontstaanswijze is.
Het Pingo Programma van Landschapsbeheer Drenthe heeft als doel de kennis van pingoruïnes en andere periglaciale laagten te vergroten en te verspreiden. Een belangrijke taak van dit programma is het in kaart brengen van deze pingoruïnes. Hiervoor worden veldwerkcampagnes, summer schools en workshops voor georganiseerd. Dit heeft een uitgebreide dataset opgeleverd van (mogelijke) pingoruïnes en andere periglaciale laagten. Deze dataset gebruiken we in de geomorfologische kaart om waar mogelijk onderscheid te maken tussen verschillende periglaciale laagten. Zo vormt deze dataset, welke continu uitgebreid wordt, een belangrijk bronbestand van de geomorfologische kaart van Nederland.
Naast deze landschapsvormen zijn er uiteraard nog vele andere aanpassingen in de geactualiseerde kaart. Er is bijvoorbeeld ook onder stedelijk gebied door gekarteerd en het veenkoloniale gebied rondom Emmen is ook opnieuw gekarteerd. Wij nodigen u uit omdat deze, en andere, aanpassingen nog eens rustig te bekijken in de viewers en de sliders in deze Storymap.