Noord-West Twente

het verhaal van het veenlandschap

Het Oerlandschap

In het Noordwestelijk Twentse landschap liggen stuwwallen, deze zijn opgeworpen ten tijde van de voorlaatste ijstijd (het Saalien). Tijdens deze ijstijd drukte het landijs zich in de bestaande grondlagen waardoor deze werden opgestuwd. Tussen deze opstuwingen ontstonden keileem bekkens, dit zijn komvormige laagtes met niet doorlaatbare bodemlagen. Smeltwaterstromen deponeerde afzettingen van zand en grind langs de randen van deze enorme gletsjers.  

 

Tijdens de laatste ijstijd kwam het Landijs niet verder dan het huidige Denemarken, met als gevolg minder hoge opstuwing van grondlagen. Deze lagere stuwallen zijn nog te herkennen op de kaart van het algemeen hoogte bestand Nederland. In het landschap vallen deze plekken niet meer op.  

Stuwwallen

Deze stuwallen zijn nog te herkennen op de kaart van het algemeen hoogte bestand Nederland. In het landschap vallen deze plekken niet meer op. In de laatste ijstijd zijn deze stuwwalen bedekt met dekzandlagen die soms wel meters dik over de oude stuwwalen werden neergelegd. De landrug ofwel stuwwal Westerhaar-Sibculo ligt aan de Duitse grens en is een van deze stuwwallen in het projectgebied die is gevormd ten tijde van de voorlaatste ijstijd.

Bron afbeelding: AHN

Fossielen

Deze stuwwal is bekend vanwege de vondsten van grote aantallen fossielen zoals een aantal sponzen. Deze fossielen zijn gevonden in de formatie van Enschede die is gevormd in het midden Pleistoceen (900.000 -350.000 v.Chr.) 

Bron afbeelding: Grondboor en Hamer, 1993

Ondergrond Modellen

Door het raadplegen van DINO-loket kunnen formaties in het gebied worden geanalyseerd. Uit de beschikbare modellen op de website zijn de volgende belangrijke formaties in de bodem gevonden; In de modellen die van Oost naar West en van Noord naar Zuid lopen: de formatie van Boxtel, de formatie van Kreftenheye de formatie van Appelscha, de formatie van Peize en Waalre, de formatie van Oosterhout en de Formatie van Breda. En de opgestuwde eenheden te zien als grijs gedeelte in de ondergrond modellen. De formaties geven ons inzichten over het ontstaan van het Oerlandschap. Het Oerlandschap is het landschap zoals het aangetroffen kon worden lang voordat de mens het naar zijn hand had gezet.  

Bron afbeelding: Dinoloket

De oudste formatie die via het model te vinden is, is gevormd tijdens het laat oligoceen en vroeg plioceen. Dit is de formatie van Breda. De formatie van Breda is een mariene en kust gevormde formatie die wordt bekenmerkt door de aanwezigheid van Glauconiet. Dit mineraal wordt alleen gevormd in de kustzone.

Om de formaties te vinden die ervoor zorgen dat er in het gebied hoogveen kan ontstaan moeten we op zoek naar formaties die zijn gevormd tijdens het Saalien (voorlaatste ijstijd). In de modellen zijn dit de formaties van Boxtel en de formatie van Drenthe die zijn allebei gevormd ten tijde van het Saalien. De formatie van Boxtel is hoofdzakelijk de formatie in het gebied die heeft gezorgd voor de vorming van hoogveen. Door de gletsjers die in de voorlaatste ijstijd over deze formatie schoven werd de onderlaag vermengd met water en uitgesmeerd zodat je een moeilijk doordringbare laag in de ondergrond. Deze laag wordt ook wel keileem genoemd. Boven op deze laag hoopt zich zand op waartussen het hoogveen zich kan vormen. 

Bron afbeelding: Dinoloket

paleografisch overzicht verspreiding Veen

De verspreiding van het veenlandschap vanaf het jaar 9000 v.Chr tot 2000 n.Chr in het projectgebied. Is uiteen gezet in deze Sidecar.

9000 v.Chr

Nog geen veen ontwikkeling in het project gebied. De stuwwallen zijn al wel opgeworpen.

5500 v.Chr

Eerste twee grote veengebieden ontwikkelen zich in het projectgebied

3850 v.Chr

Hoogveengebieden ontwikkelen zich snel door de gunstige omstandigheden in de waterhuishouding van het projectgebied

2750 v.Chr

Hoogveengebieden ontwikkelen zich in snel tempo en groeien aan elkaar. Waardoor er een groot hoogveengebied ontstaat.

100 n. Chr

Het Hoogveengebied is van 100 tot 1400 op zijn grootst. Hierna begint men het gebied te ontginnen.

1850 n. Chr

Het Hoogveengebied is een stuk kleiner geworden door de ontginningen ten behoeve van het gebruik van turf voor privaat en commercieel gebruik.

2000 n.Chr

Het meeste Hoogveen is ontgonnen in het gebied. Men is wel verder gestopt met de ontginning van het gebied. en sommige Hoogvenen worden beschermd en beheerd.

Het Natuurlandschap

Veen is een bodemsoort welke ontstaat door de opeenstapeling van afgestorven plantmateriaal. Onder zuurstofarme omstandigheden (onder water) vergaat het organisch materiaal niet. Door de alsmaar toenemende druk die wordt uitgeoefend op de veenlaag door het bovenliggend materiaal worden veenpakketten gevormd.  

Het veen in Noordwest Twente is ontstaan aan het einde van de laatste ijstijd, het Weichselien. Het veen dat hier voorkomt is hoogveen. In deze periode raakte zeker de helft van Nederland bedekt onder het veen. Dit veen bestond uit hoogveen en laagveen, waarbij hoogveen alleen in Hoog-Nederland voor kwam/voor komt, en laagveen alleen in Laag-Nederland voor kwam/voor komt. De grens tussen Hoog- en Laag-Nederland ligt op 1 meter boven NAP. 

Het hoogveen staat bekend om haar natte maar arme milieu. Noordwest Twente is gelegen in de lagere delen tussen de dekzandruggen en stuwwallen in Twente. Hoewel dit gebied altijd nat is geweest bestond het niet altijd uit een arm milieu. Onder de bovenste laag van het hoogveen, het mosveen, liggen nog een drietal lagen van rietveen, zeggeveen en bosveen. Het bosveen bestaat uit veen van loofbos en het voorgaande naaldbos. Dit geeft een indicatie van een soortenrijker systeem dan het huidige hoogveen. 

De dikke laag rietveen en zeggeveen hebben de grond zodanig geïsoleerd dat kwel en de benodigde mineralen niet omhoogkomen en regenwater hier bovenop is blijven staan waardoor er stikstof en fosfaat in het water terecht komt. Met name de veenmossen kunnen hier goed in gedijen waardoor planten en bomen geen kans meer kregen.

Bron afbeelding: Stichting Veen

Waar laagveen ontstaat onder invloed van hoge grondwaterstanden, ontstaat hoogveen onder invloed van regenwater dat blijft staan op een ondoorlatende grondlaag. Hierdoor ontstonden er vennen die zich ontwikkelden tot hoogveengebieden. Dit proces is nog steeds gaande in de Engbertsdijksvenen, waar hoogveen nog steeds ‘leeft’. De Engbertsdijksvenen zijn slechts een overblijfsel van een groter geheel wat door heel Noordwest Twente lag.  

In 2009 zijn de Engbertsdijksvenen opgenomen in de Natura 2000 en valt daarmee onder een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. De Engbertsdijksvenen zijn in eigendom van, en in beheer bij Staatsbosbeheer. 

Flora

In het hoogveen van de Engbertsdijksvenen herbergen zich vele bijzondere soorten flora en fauna. Veel soorten hiervan zijn (deels) gebonden aan het hoogveenbiotoop. In de natte heidevegetaties worden soorten aangetroffen als Witte snavelbies, Ronde zonnedauw en de Moeraswolfsklauw.

Opvallend zijn ook de struiken Wilde gagel die over het hele gebied verspreid staan. Deze struik spreekt zowel visueel als in geur aan. De rode bloeiwijze van de Wilde gagel is niet te missen, evenals de heerlijke eucalyptusgeur die de plant bij zich draagt.

Fauna

Het hele jaar rond zijn de Engbertsdijksvenen een belangrijk broedgebied voor ruim 100 vogelsoorten, waarvan er circa 20 op de rode lijst staan. In het najaar en de winter is het gebied belangrijk voor soorten als de klapekster(zie afbeelding), blauwe kiekendief, velduil en de toendrarietgans.

Bron afbeelding: vogelbescherming.nl

In het Engbertsdijksvenen komt ook grofwild voor zoals Reeën en Wilde zwijnen. Omdat de Wilde zwijnen hun voedsel ook elders zoeken ondervinden de boeren in de omgeving last van wroetschade aan landbouw en weilanden.

Bron afbeelding: Nature today (Hugh Jansman)

Naast vogels komen er in de Engbertsdijksvenen ook bijzondere reptielen, amfibieën en insecten voor. Reptielen en amfibieën zoals de Heikikker, de Boomkikker, de Poelkikker, de Levendbarende hagedis, de Adder en de Gladde slang zijn hier te vinden. Tevens komen hier ook veel interessante sprinkhanen, libellen, juffers en kevers voor.

Bron afbeelding: verspreidingsatlas.nl

Het Cultuur- landschap

De eerste geschreven geschiedenis van noord Twente is terug te vinden als Tuianti, Tueanti, Thuehenti, Tuente en ten slotte de huidige naam Twente of Twenthe. De eerste benamingen van het gebied zijn beschreven in de achtste en negende eeuw.

Door vele bodemvondsten die in het gebied zijn gevonden gaat de geschiedenis van Noord Twente terug tot in de steentijd. Tevens zijn er bodemvondsten gedaan uit de Romeinse periode die erop wijzen dat er romeinse pogingen waren tot onderwerping van het gebied. Tijdens de middeleeuwen kwam het gebied onder het bewind van de Utrechtse bisschoppen en ging het gebied deel uitmaken van het Oversticht. In de twaalfde eeuw werd het gebied Noord Twente van Twente afgescheiden en werd het graafschap Bentheim gevoegd. Echter in kerkelijk opzicht bleef het gebied nog onder het bisdom Utrecht te vallen. 

In de middeleeuwen kregen maar acht plaatsen ooit stadsrechten. Deze betreffen:

  • Almelo
  • Delden
  • Diepenheim
  • Enschede
  • Goor
  • Oldenzaal
  • Ootmarsum
  • Rijssen

Wat opmerkelijk is dat Almelo de dichtstbijzijnde stad (14,7 km) is en dat de overige steden meer zuidelijk gesitueerd zijn. De afbeelding hiernaast betreft een kaart van omstreeks 1570. Zoals te zien is het gebied rondom Sibculo omgeven door Hoogveen en moerasveen.

De oudste boerderij uit het gebied stamt uit de 16de eeuw en heet de Peddemorsboerderij en ligt in Vriezenveen. Het huidige gebruik van deze boerderij heeft een informatieve functie, de boerderij is een museum geworden en tevens worden er verschillende workshops gehouden.

(Stichting Peddemorsboerdeij)

Ontginnen

Bij het winnen van veen werd de eerste laag, ook wel het Bolster genoemd, apart gehouden voor later gebruik. De tweede laag werd voornamelijk gebruikt voor het winnen van turf. Nadat alles is afgegraven wordt de bolster weer terug op de haar plek gelegd en gemengd met de zanderige ondergrond. Hierdoor ontstond er een goed bodem met een hoog humusgehalte waarop landbouw kon worden bedreven.

In de afbeelding is te zien dat ten zuiden van Vriezenveen voornamelijk nog grasland ligt. Dit komt door het steeds natter worden van de ondergrond. De verschillende veldnamen zoals Oude Kerkhofslanden laten nog zien dat het drop vroeger veel zuidelijker in het landschap heeft gelegen.

bron: Rijksdienst voor cultureel erfgoed

Het ontginnen van het hoogveen in noordwest Twente is in de 14e eeuw al begonnen rondom Vriezenveen. De Almelose Aa diende als hoofd afwatering voor het ontginnen van het veen in het gebied. De ontgonnen stukken land dichtbij de Aa werden voornamelijk gebruikt voor vee en hooi.De stukken land die dichter bij de boerderijen, en daardoor iets hoger en droger waren werden gebruikt voor akkerbouw.

 

Bron afbeelding: Veranderend platteland MA landschapsgeschiedenis, Rijksuniversiteit Groningen 2017

 

 

Door het afwateren van het gebied en het inklinken van het veen werd het land steeds natter. Hierdoor was het niet meer mogelijk om het land te gebruiken voor landbouw, dus moest er worden verhuisd. Alles verplaatste stapje voor stapje noordwaarts. De dorpen zijn hierdoor een paar keer in zijn geheel verplaatst. Dit proces heeft geduurd tot aan de 17e eeuw. Tijdens de hoogtijd van het turfsteken werd eind 19de eeuw in de directe omgeving van Sibculo en Vriezenveen het Almelo-Nordhorn kanaal gegraven. En werd in 1886 in gebruik genomen. De aanleiding naar de bouw van dit kanaal was dat men hoge verwachtingen had van verbindingen tussen waterwegen Duitsland en Nederland. Dit project was echter een groot fiasco doordat schepen groter en zwaarder werden en dat het kanaal te ondiep was. In 1960 voer het laatste turfschip door het kanaal. Het steken van turf ging door tot de jaren 60 van de vorige eeuw. In de troonrede van 1962 is er definitief een stop gemaakt aan het steken van turf.

Bron afbeelding: Tweede Kamer der Staten -Generaal 1918

Het afstekken van turf om te verkopen heeft in het gebied rondom Vriezenveen is nauwelijks gedaan. Dit heeft voornamelijk plaats gevonden rondom Vroomshoop en Sibculo. Door de aanleg van het kanaalvak tussen Almelo en Coevorden, in 1856, werden de gebieden die dieper in het veenlandschap liggen, zoals Sibculo, makkelijker bereikbaar. Doordat hier commercieel turf is gewonnen is een veel groter gebied ontgonnen dan bij Vriezenveen.

(Bureau Lantschap, 2009)

Bron: Foto: Beeldbank HCO © Hans Janssen

Verkaveling

De ontgonnen veenstroken waren tot maximaal 144 meter breed. In heel Twente was het erfrecht van toepassing dat inhield dat erfdeling niet mocht plaatsvinden. Dit recht was alleen niet in Vriezenveen. Daarom werd na het trouwen het erf opgedeeld. Door het steeds weer het opdelen van het land tweeën bleef er op gegeven moment stroken over die niet breder waren dan 7 meter.

Bron afbeelding: Veranderend platteland MA landschapsgeschiedenis, Rijksuniversiteit Groningen 2017

Na de Tweede Wereldoorlog lag Nederland in puin. De periode 1945 tot 1960 was er een van wederopbouw in Nederland. Dit luide een nieuwe vorm van architectuur en stedenbouwkundige stroming in Nederland in. Hierbij werd ook op een nieuwe manier gekeken naar de indeling van de buitengebied en het landschap. Het motto achter van de landschapsindeling tijdens de wederopbouw was ‘licht, lucht en ruimte’. Uitgangspunt was hierbij dat er nooit meer iets mocht gebeuren zoals de hongerwinter. De landbouw werd opgeschaald. De lange en smalle stroken in Vriezenveen waren niet geschikt om grootschalige landbouw op te bedrijven. 

Met de komst van de nieuwe Ruilverkavelingswet in 1954 is tussen 1957 en 1969 meer dan 4400 hectare grond opnieuw ingericht. Hiermee zijn duizenden versnipperde kavels aangesloten tot grotere en makkelijker te bereiken landbouwgrond. Daarnaast is nog 200 hectare grond ontgonnen om plaats te maken voor de landbouw. Door deze grote veranderingen moesten er ongeveer 70 boerengezinnen verhuizen van het drop naar boerderijen verder in het land gelegen. 

In de afbeelding hiernaast is goed te zien dat het landschap van Strokenverkaveling naar een onregelmatig blokverkaveling is gegaan.

Bron Afbeelding: RCE

De boerderijen zijn ook ingericht volgens het motto ‘licht, lucht en ruimte’. Dit heeft zich geuit in ruim opgezette erven, hiervan ligt de oprit vaak in het midden van het erf. Vanuit de oprit is een zichtlijn gecreëerd die dwars of het erf en over het land gaat. De nieuwe boerderijen werden ook wel streekverbeteraars genoemd. 

De nieuwe inrichting zijn in het gebied van Vriezenveen zo ingrijpend geweest dat de Nederlandse staat in 2011 het hebben aangewezen als één van de dertig gebieden uit de wederopbouw van Nederland die van nationaal cultuurhistorisch belang zijn.

Bron Afbeelding: RCE