Onderzoek naar de stormvloed van 1825
Resultaten van een burgeronderzoeksproject naar het leven in de IJssel- en Vechtdelta voor en na de stormvloed van 1825
Introductie
In de nacht van 4 op 5 februari 1825 werd Overijssel getroffen door een grote ramp. Door een zware noordwesterstorm en een hoge vloed braken de dijken langs de Zuiderzee, het Zwarte Water, de IJssel en de Vecht op maar liefst 65 plaatsen. Een derde van de provincie kwam onder water te staan, tot aan plaatsen zoals Staphorst, Dalfsen, Heino en Wijhe. Het kolkende water veegde mensen, vee, bomen en complete boerderijen van de kaart. Velen zagen familieleden voor hun ogen verdrinken. In Overijssel vielen er in totaal 305 doden. Ook de materiële schade was gigantisch. Complete veestapels waren verdronken, waaronder ruim 13.000 koeien en 525 paarden. 574 gebouwen waren weggespoeld; het viervoudige ernstig beschadigd. De schade was onvoorstelbaar groot.
Bijna tweehonderd jaar na dato is de Overijsselse Watersnoodramp een vergeten ramp in ons collectieve geheugen. Terwijl de ramp voor de klimaatopgaven van de toekomst juist ontzettend relevant en actueel is. Met een voorspelde zeespiegelstijging van één tot twee meter in 2100 is een goede waterbeheersing, zowel langs buiten- als binnendijken en rivieren, van cruciaal belang. Zo bleek ook weer tijdens de laatste hoogwaterperiode aan het einde van 2023. De ramp van 1825 en de lessen die daaruit zijn getrokken kunnen een spiegel zijn voor onze huidige en toekomstige omgang met het water. Stichting Overijsselacademie, Het Oversticht en Waterschap Drents-Overijsselse Delta (WDODelta) slaan daarom de handen ineen om in een multidisciplinair programma stil te staan bij de tweehonderdjarige herdenking van de Overijssels Watersnood 1825 en om deze ramp tevens in te zetten als kapstok voor een duurzaam waterbeheer voor de toekomst.
Onderdeel van dit programma is een burgeronderzoeksproject waarin bewoners van de regio, geïnteresseerden in waterstaatsgeschiedenis, archeologie, en geschiedenis onderzoek hebben gedaan naar uiteenlopende thema's rondom de watersnoodramp van 1825 en de manier waarop mensen door de eeuwen heen in deze delta hebben gewoond en het hoofd hebben geboden aan overstromingen, maar er tegelijkertijd ook gebruik van hebben gemaakt. De resultaten van dit onderzoek vind u op deze pagina beschreven door de burgeronderzoekers zelf. In de loop van het herdenkingsjaar zullen nieuwe stukken worden toegevoegd. Kortom, kom zeker nog eens terug!
Overstroomd gebied in 1825
Leven met water
Lees meer over de manier van leven met het water in de periode voor 1825 en over dijkbeheer en dijkdoorbraken op de deelpagina: Leven met water
De omvang van de ramp
Dodelijke slachtoffers per gemeente (de grootte van de bol en het cijfer in bol geven het aantal slachtoffers aan; het cijfer naast bol is de totale bevolking in 1825)
Aantal verdronken (rood) en gespaarde runderen (geel)
Stormvloed 1825: verhalen en sporen van de ramp

De lotgevallen van Willempje Veldkamp

De malaria-epidemie na de ramp

Schokland

Dijkdoorbraken

Boerderij De Hemel in Dieze

Sporen in het landschap - resten van een kistdijk

'Het water stond tot aan de vensterbank'

Het lot van de familie Hülsmann

Laag Zuthem

Het ontstaan van de IJsseldelta

Drie schelvissen

Dijkdoorbraken Nieuwendijk

Ruimte voor de rivier: 1825 - 2017

Schokland - de slachtoffers

Het familieverhaal van Immy Prins-Mars

Schipper Wolters
Het verhaal van Willempje Lammerts Veldkamp
Door Dirk Haasjes
Tijdens het zoeken naar de impact van de ramp op de inwoners van Heerde en Wapenveld kwam ik dit bijzondere verhaal tegen van de familie van Hattem uit Heerde/Doornspijk. We volgen het leven van Willempje Lammerts Veldkamp afkomstig uit Wapenveld in de gemeente Heerde en de enige van haar gezin die de ramp overleefde.

Willempje Lammerts Veldkamp
Willempje Lammerts Veldkamp wordt op 3 december 1792 geboren in Wapenveld in de gemeente Heerde. Als zij 29 jaar oud is werkt ze als dienstmaagd en trouwt volgens de akte nr 9 van 25 mei 1822 in Doornspijk met Bartelt Willem van Hattem, geboren te Oosterwolde, een daglooner van 33 jaar.

Twee onbereikbare huizen
Helaas heeft de stormvloed van 1825 desastreuze gevolgen voor dit jonge gezin. J.C. Beijer beschrijft in zijn ‘Gedenkboek van Nederlands Watersnood in 1825’ de volgende passage:

Aangespoeld
En moeder Willempje Veldkamp dan? Beijer vertelt verder: [...] twee vrouwen en twee kinderen, zijnde de vrouw en kinderen van R. PLENDER , benevens de vrouw van B. HATTEM; die haren man en twee kinderen , benevens eene oude moeder voor hare oogen had zien verdrinken, op een zeer klein gedeelte van eenen hooiberg waren weggedreven, en den 5 februarij op eenen afstand van bijna 4 uren gaans , in de nabijheid van Hattem, met dit hun zonderling vaartuig behouden aankwamen.

Een edelmoedigen en menschlievende daad
In het archief van de gemeente Oldebroek zijn concept-getuigschriften opgenomen voor een aantal heren die reddingspogingen hebben uitgevoerd tijdens de storm en de dagen direct erna. Willempje en Elizabeth zijn van de hooiberg gered door Dirk van der Scheer en anderen. Van der Scheer heeft een getuigschrift ontvangen op 31 januari 1826. Daarin wordt gewag gemaakt van deze heldendaad.

Dakloos
Willempje Veldkamp overleeft de ramp, maar is dakloos. Waar is ze heen gegaan? We weten het niet. Er zijn echter verschillende aanwijzingen dat ze tijdelijk bij haar broer Jan Lammers Veldkamp in Markluijden is ingetrokken.

Markluijden - Weteringsdijk 20
Willempje trekt na de ramp waarschijnlijk bij haar broer Jan in Markluijden in. Op basis van de kadastrale gegevens uit 1811-1832 weten we dat Jan Lammerts Veldkamp woonde in een boerderij aan wat nu de Weteringsdijk nr. 20 is (HisGIS).

Bartelt van Hattem
Pas op 21 maart wordt het lijk van Bartelt van Hattem gevonden. Hij wordt gevonden in de buurt van het huis van Roelof Plender in Oosterwolde.

De twee meisjes
Op 28 maart 1825, bijna 8 weken na de ramp, werd Hendrikje volgens het proces-verbaal van schouw samen met Albertje Plender, 10 jaar oud, gevonden nabij de Gelderse Gracht in het kerspel Oosterwolde. Ze werd drie jaar.

6 september 1825 - Doornspijk
Dan is er nog één akte: op 6 september wordt in Doornspijk de geboorte aangegeven van Lambertus van Hattem. Willempje was tijdens de ramp dus twee maanden zwanger.

Terug naar het Noorderrot
In het streekarchief van Elburg over de afwerking van de schade komen we de vermelde families van Hattem en Plender weer tegen.[1] Zij woonden in 1825 op Noorderrot 86 (Van Hattem) en 84 (Plender). Dat is het huidige Noordeinde ofwel Kamper Nieuwstad, zoals blijkt uit de schadelijsten van de Commissie Zeevloed. Elk getroffen gezin kon schade opgeven bij deze commissie na de zeevloed van februari 1825. Om de hulp goed te coördineren werd taxatie en vergoeding van schade bij deze commissie belegd. Het archief voor deze regio is in het kader van project 1825, de vergeten ramp gedigitaliseerd.
De overstroming van Schokland
Door Anna van 't Hul - Kroes
Reijer keek door het zolderraam de duisternis in. Opeens zag hij een monstergolf op zich afkomen; een muur van water die recht op hun huis afkwam. Even sloot de huizenhoge golf hun huis volledig in en werd het pikdonker, een paar seconden later sloeg de golf op het dak en het zolderraam uiteen. Van schrik sprong Reijer achteruit. Op sommige plaatsen begon het dak te lekken. Enkele ogenblikken leek het huis te wankelen, daarna klonk vanuit de kamer beneden het geluid van knappende ramen en hoorde hij het water door de ramen de kamer binnenstromen. 1
Het verhaal van Reijer is fictief, maar op die bewuste dag in februari zagen de schokkers het water stijgen tot grote hoogte. Op 3 februari 1825 begon het water te stijgen. Er ontstond een storm die samenviel met springtij en hoge rivierafvoeren die aanwakkerde tot orkaankracht. 's Avonds was de stand van het water tot 8,5 voet gestegen (2,5 meter hoger dan normaal). De volgende ochtend rees het nog eens 2 voet (tot meer dan 3 meter) waardoor het hele eiland onder water verdween. Elf uur 's avonds bereikte het een stand van 3,2945 el boven de dagelijkse vloed. 2 De schokkers waren wel wat gewend, maar moesten naar hun zolders vluchten. Nog nooit was het hele eiland onder water verdwenen. Nu wel. Nog nooit kwamen er mensen om het leven tijdens een storm op Schokland. Nu wel. 3
De zeewering van het voormalige eiland
De storm had grote impact op het leven van de schokkers. Verschillende inwoners verloren dierbaren. Dokter Marinus van Kleef bevond zich met zijn ouders op zolder. Zijn ouders raakten door het omvallen van de schoorsteen in het water en verdronken voor zijn ogen. De dokter zelf rende naar beneden en werd door een golf tegen een muur gesmeten en kwam terecht op een zolder waar meerdere mensen hun schuilplaats hadden. Dokter van Kleef overleefde de storm.
Piet Mastenbroek klom met zijn vrouw en kind op een drijvend dak waar nog een man met vrouw en drie kinderen zaten. Vanuit een schip werd een touw toegeworpen. De twee mannen werden gered. De rest kwam om. 4 Een ander verslag luidt dat Piet zich met vrouw en kinderen aan uitstekende latten van een rieten dak vastklampte. Een poging hen daaraf te halen mislukte. Op het moment dat Piet een lijst wist te grijpen, kantelde het dak en raakte iedereen te water waarna alleen de man werd gered. 5
Meer gelukkig was Jannes Ruiten. Hij zat met zijn vrouw en twaalf anderen bij elkaar op de zolder van zijn eigen woning die op instorten stond. Jannes maakte een gat in de voorgevel om naar buiten te komen, maar het water was te diep. Ze wisten vervolgens van vier aandrijvende palen een vlot te maken. Deze bleken echter te glad. Vervolgens wierp een golf hen een grote tobbe toe die ze vastbonden op de palen. Daar konden ze in. Nadat de laatste persoon in de tobbe was gestapt, stortte het huis in. Mensen hielpen elkaar en bootjes werden ingezet om mensen te redden. Toch waren de verliezen groot. 13 mensen kwamen om. Bernardus van Kleef met zijn vrouw, Geertje Ulrich. Trijntje Lauwen Diender (vrouw van Jan Willems Kok) met haar kinderen, Albert en Willem. Ook een nichtje van Albert en Willem, Jacobje Kok kwam in de golven om. Tot slot Jacoba Cornelissen Grootjen, vrouw van Willem Bruins Bape met haar kinderen, Eva, Louwe, Jannetje en Lijsje en Klaasje Jans Joost en Lucas, vrouw en zoon van Piet Mastenbroek overleefden de storm niet. 6
Middeleeuwse kerkruïne van de Oude Kerk van Ens, op de zuidpunt van Schokland (afgebroken rond 1820)
Ook op andere gebieden waren de gevolgen groot. 17 runderen, 1 paard en 16 schapen verdronken. 26 huizen werden in zijn geheel weggespoeld. 86 huizen zwaar beschadigd of onbewoonbaar. 600 schokkers werden dakloos. In de katholieke kerk steeg het water tot 1,4 meter, muren werden weggeslagen en altaar en banken mee de zee in gesleurd. Ook de gereformeerde kerk had het zwaar te verduren. De vuurtoren op het eiland werd verwoest. De palen van de zeewering van Schokland werden door de storm heinde en ver meegenomen en veroorzaakten grote schade. Zo werd bijvoorbeeld het huis van Klaas Egberts in Zwollerkerspel (Mastenbroek) verbrijzeld door de palen. Ook vissersschuiten spoelden weg en werden soms door en over de dijken op het vasteland geworpen. 7
De inwoners van Schokland waren gewend om te leven met water. Ontberingen waren hen niet vreemd. Maar de storm van 1825 kwam met zoveel kracht dat ook zij geen antwoord hadden tegen dit geweld. Na de rampnacht kwamen er liefdadigheidsacties op gang. Koning Willem I schreef een nationale collecte uit en gaf een royale gift van 100.000 gulden aan Schokland. Ook het provinciale bestuur stelde een bedrag beschikbaar. Het geld werd gebruikt voor de ergste nood en direct levensonderhoud. 8 Maar ook voor het opbouwen van een deel van de huizen en de kerken. Voor herstel van de paalwerken werden honderden palen opgevist uit de wijde omgeving en naar Schokland teruggebracht. 9 Toch werd het leven op Schokland niet helemaal meer hetzelfde en zouden ze nooit helemaal herstellen van de ramp. Er heerste armoede en het leven was moeilijk. Hoewel de storm niet de reden was, zullen de gevolgen ervan hebben meegespeeld in de uiteindelijke ontruiming van Schokland in 1859.
Hoogwaterkanon bij Musuem Schokland. Oorspronkelijk stond dit kanon op de zeedijk bij Vollenhove, maar werd in de jaren 1940 geschonken aan de directie van de Wieringermeer (Noordoostpolderwerken).
Waar vroeger vissershutten stonden. Dicht aan elkaar, klein en kompres, Daar ging het leven op reces En wordt geen woning meer gevonden
Stormwind die aan de luiken wrikte Deed kind’ren beven in hun bed; Knallende schoten leken het Als kruiend ijs het volk verschrikte
Toen het geweld van wind en stormen Het bijna weerloos hoopje sloeg En ’t water in de huizen joeg Zijn vee en mensen omgekomen.
Nu wijst nog de verhoging aan, Waar ’t alles is voorbijgegaan. 10
(Tromp de Vries, Urk.)
Noten: 1 Nuyens 2015, 124. 2 Van Hezel, Pol 2008, 116 – 117. 3 Vriend 2024, 120. 4 Ter Pelkwijk 2002, 55. 5 Bouman 1993, 6 Klappe 2013, pag 111. 7 Van Hezel, Pol 2008, 116 – 117. 8 Van Hezel, Pol, 2008, 120. 9 Klappe, Veer, 2009, 17. 10 Klappe, 1991, 39.
Literatuurlijst
- Bouman P.J, 1993, Een februaristorm, Het schokker erf 24, 2 -10.
- Klappe B, 2013, Verhalen van Schokland, de lotgevallen van een eilandbevolking, Eindhoven.
- Klappe B, Veer W. 2009, Schokland verlaten, een reconstructie van de ontvolking in 1859, Deventer.
- Klappe B. 1991, De Zuidert, Het schokker erf 17, 39.
- Nuyens A. 2015, Nooit meer terug, over de tragische ondergang van Schokland, Amsterdam.
- Ter Pelkwijk J. 2002, Overijssels watersnood. Een heruitgave van het verslag van de ramp van 1825, Kampen.
- Van Hezel G, Pol A. 2008, Leven met water, Schokland en omgeving, Utrecht.
- Vriend, E. 2024, Het eiland van Anna, Schokland en de geschiedenis van een thuis, Amsterdam.
Jan Meulman: het familieverhaal van Immy Prins-Mars
Opgetekend door Liesbeth Hermans
Immy (1931-2025) woont al jaren in alle tevredenheid met haar dochter op Gelderingen in Steenwijkerwold. Ze heeft hier haar hele leven gewoond. Uit familieoverlevering kan ze nog vertellen over de watersnoodramp van 1825.
"In mijn familie doet nog een verhaal de rondte over de stormramp van 1825. Mijn moeder vertelde dat altijd aan mij en zij had het weer van haar oma. Het is een verhaal dat telkens is doorverteld. Wat er van waar is? Dat weet ik niet. Het is dus het verhaal van mijn betovergrootmoeder, ze heette Ymkje Zijlstra.
In 1825 leefde zij in Echten, bij Langelille, aan het water. Ze hadden er een klein boerderijtje of zo. Toen kwam de storm, en de moeder was alleen met het kindje. In de familie wordt niks verteld over de vader. Het kindje heette Jan Meulman, dus dat zal de naam van de vader geweest zijn. De zeedijk tussen Kuinre en Blokzijl en Blankenham brak door, het water stroomde zo het land binnen.
Toen het water kwam, bond zij haar kleine zoontje Jan van nog geen zes maanden oud in zo’n half schort met de banden voor zich op haar buik. Samen zijn ze in een wankel bootje gaan dobberen. Ze had geen peddels en het was een gammel bootje. Waarheen ze ging? Met de wind mee, dat wist ze. Ze zou het wel zien waar ze terecht kwam. Hoe lang hebben ze zo gedobberd in de koude? De storm blies volle kracht uit het noorden en daar dreven ze op een enorme watervlakte met hoge golven. Dat moet ontzettend eng geweest zijn, zeker als het donker was. Ze moest zich goed vasthouden aan de zijkanten, want het bootje schommelde vreselijk. Het kindje zat stevig vast voor op haar buik. Onderweg zag ze allemaal drijvende lijken, van mensen en van koeien. Het was ontzettend vreselijk, eng, koud. Allemaal water zover je kon kijken.
Hoe lang ze dat hebben volgehouden? Geen idee, maar lang genoeg om te overleven. Want ze spoelden aan land bij het Mallegat van Oldemarkt. Ze gingen met de wind mee, hemelsbreed is dat niet zo ver hoor van Echten naar Oldemarkt, dat zal hooguit 15 kilometer zijn. Daar zijn ze gaan wonen, en daar zijn ze hun hele leven gebleven.
De tocht die Jan en zijn moeder Ymkje in de stormnacht van 4 op 5 ferbuari 1825 in hun bootje hebben afgelegd (een tocht van hemelsbreed zo'n 12,5 km)
Dat kleine jochie uit het bootje was vaak ziek en zwak. En zijn moeder dacht dat het kwam doordat hij het zo koud had gehad. Natuurlijk was de familie dan bezorgd om hem, misschien wel een beetje te veel.
Hij moest als grote kerel zijn baard laten staan, een grote baard. Lekker veel haar rondom. In de familie zegt men dat het beter was om zijn hoofd warm te houden. Want hij moest het niet koud krijgen, dat had hij al genoeg gehad in de stormvloed. Jan is pas overleden op zondag 20 maart 1904, dus hij is best oud geworden."
In de archieven is de geboorteakte van Jan Meulman terug te vinden. Hij is geboren op 19 oktober in Echten. Zijn vader was Harmen Hendrik Meulman en zijn moeder Ymkjen Jans Zijlstra. Vader Harmen Hendrik sterft op 13 oktober 1826 in Echten. Hij was turfmaker van beroep en is slechts 40 jaar geworden.
Het is onduidelijk wat er met moeder Ymkjen Jans Zijlstra is gebeurd. Zij is niet in de archieven te vinden.
Jan trouwt op op 30 mei 1856 in Oldemarkt met Catharina Timmerman. Zij is 28 jaar, werkt als dienstmeid en is net als hij geboren in Echten. Op 3 januari 1859 wordt in Oldemarkt hun dochter Aafje geboren en op 6 januari 1867 dochter Johanna.
Jan sterft uiteindelijk op hoge leeftijd, hij is 79 jaar geworden, in 1904 in Oldemarkt. Zijn vrouw overleeft hem nog vijf jaar.
Schipper Wolter Wolters en zijn bruiloftsgasten
Door Peter Laarakker
Het verslag van J. ter Pelkwijk over de watersnood in Dalfsen begint met de constatering dat op vrijdag 4 februari 1825 rond 5 uur ’s middags het water bij de Broekhuizen (bij de huidige stuw Vechterweerd, in het westen van de gemeente) snel omhoog kwam. Vier kilometer naar het oosten in het dorp Dalfsen was er op dat moment niks aan de hand. Het Vechtwater stond wel hoog, maar daar was men aan gewend, alarm was er nog niet.
Er was zelfs feest! Om 6 uur ’s middags trouwden de 23-jarige Dalfser schipper Wolter Wolters met schippersdochter Janna Schuttevaar, 26 jaar. Ze woonden vlak bij elkaar in Dalfsen, zij aan de Kaai, hij bij de dijk op de hoek van de (huidige) Vechtstraat. Het huwelijk werd voltrokken door de Schout F.C. Mulert, in het bijzijn van ouders en de getuigen Mannes Wolters, broer van de bruidegom, Harm Schuttevaar, broer van de bruid en Jannes Jansen. Allemaal schippers.
Figuur 1. Handtekeningen onder de trouwakte van 4 februari 1825 1
Dalfsen had toen nog geen gemeentehuis, de gemeente huurde een paar kamers in het dorp voor zijn activiteiten en archief. Waar het huwelijk werd gesloten is dus niet zeker. Herberg De Ruiter 2 , het eerste pand aan de Prinsenstraat bij het veer, is een goede kandidaat. Die werd toen gerund door de herbergierster Arnolda Volkers, weduwe van Jochem van der Kolk. Daar werden ook vaak veilingen gehouden. 3 We weten ook niet hoe de avond verder verliep. Was er een feest? Hoe lang duurde dat? Janna was hoogzwanger dus zal het niet heel laat gemaakt hebben. Maar de rest?
Figuur 2. De woningen van bruid en bruidegom en de Herberg de Ruiter, ondergrond Minuutplan Dalfsen K4. 4
Wat we wel weten uit het verslag van Ter Pelkwijk is dat er om 12 ’s nachts in het dorp alarm werd geslagen en dat de Schout om 2 uur een aantal schepen de Vecht afstuurde om mensen en vee te gaan redden. Men veronderstelde een dijkdoorbraak nabij Broekhuizen omdat het water zo snel omhoog kwam. De schepen kregen de opdracht door die dijkdoorbraak het binnenland in te varen.
Omdat de schippers en de bemanning later een vergoeding kregen en die lijstjes in de Dalfser archieven 200 jaar bewaard zijn gebleven, kunnen de uitgevaren schippers uit de anonimiteit gehaald worden. 5 Een document begint: “In dienst geweest tot Redding van menschen en vee in nood en gevaar door den verschrikkelijke watervloed van den 4 & 5 feb. 1825” en somt vervolgens de bemanningen van drie schepen op. In de lijst vinden we de bruidegom Wolter Wolters en de getuigen bij zijn huwelijk terug.
Met de Stamboom van Dalfsen 6 kunnen de familierelaties eenvoudig in kaart gebracht. Op de schepen vinden we veel broers, neven en zwagers. Het was een bekend fenomeen in de schipperswereld, schippers trouwden met schippersdochters, je moest het leven kennen voor een succesvolle relatie.
Figuur 3. De bemanning van de 3 uitgevaren schepen en hun familierelaties (za: alleen zaterdag, zo: alleen zondag)
Bruidegom en getuigen waren dus over drie schepen verspreid, het was allemaal familie. Het is dan geen wilde gok te veronderstellen dat de meeste opvarenden op de bruiloft aanwezig zijn geweest. Hebben ze nog geslapen voor ze aan boord gingen of kwamen ze rechtstreeks van het feest?
Door Ter Pelkwijk weten we dat ze vanaf 2 uur ‘s nachts de hele zaterdag in touw zijn geweest:
“De Schout […] bevond eenigen tijd later, aan de Broekhuizen komende, het binnenwater aldaar even hoog, zoo niet hooger, dan dat der Vecht, en vond reeds eenige schippers, die te voet, langs den dijk, van Dalfsen derwaarts gekomen waren, bezig, met de in de Vecht aanwezige schuitjes over den dijk naar binnen te brengen, om daarmede de noodlijdenden te hulp te komen.
Onderwijl waren de schippers met hunne schuiten van Dalfsen vertrokken, hoewel het midden in de nacht was, vreeselijk waaide en sterk sneeuwde. Dan, geene doorbraak boven de Berkummerbrug ontwarende, en dus aldaar niet naar binnen kunnende komen, vonden zij eerst bij het Nieuwe Verlaat, aan de mond van de Nieuwe Vecht, menschen en vee op den dijk staan, die zij innamen en waarmede zij vervolgens de Vecht afvoeren, tot dat zij door de eerste waade bij het Haerster Veer, naar binnen geraakten, en in de buurtschappen Haarst en Berkum, onder de gemeente Zwollerkerspel, een twintigtal personen, zoo mannen, vrouwen en kinderen, van de daken en zolders verlosten, en op het Buitengoed Broekhuizen brachten”.
De schippers zijn verder de hele zaterdag bezig geweest om mensen en vee in Ankum en Gerner te redden. De mensen werden gebracht naar de landhuizen De Bese, Hofwijk en Ankum, die allemaal wel in het overstroomde gebied lagen maar kennelijk wat hoger. Men wist wel waar men moest bouwen. Het vee werd naar de Leemcule van Schout Mulert en het dorp Dalfsen gebracht.
Ook zondags zijn de drie schepen nog uitgevaren maar het water op de ondergelopen landen in Dalfsen stond toen te laag en ook door ijs en sneeuw werden ze belemmerd. Ze moesten de lager gelegen landen aanhouden en zijn nog naar de Lichtmis en Rouveen gevaren, waar zij “een veertigtal menschen uit de bouwvalligste huizen verlosten en naar Den Hulst […] bragten”.
Het Dalfser archief bevat een fascinerend document met daarin geturfd het aantal mensen dat werd gered. Bij de eerste serie staat “man, vrouw en kind uit het dak gekomen”. Het schilderij ‘Dijkdoorbraak aan de Kuinre’ illustreert op indrukwekkende wijze hoe dat eruit kan hebben gezien.
Figuur 4 Dijkdoorbraak aan de Kuinre door Dirk Piebes Sjollema (foto Museum De Lakenhal, Leiden)
Het document bevat ook een tekening die op een vaarroute lijkt. Niet duidelijk is waar het is. Er is één geografische aanduiding “Meent”. Dat kan in Haerst zijn waar ze zaterdags rondvoeren, of de Meele waar ze langs moesten toen ze zondags naar Rouveen voeren. Zijn de punten de plekken waar mensen opgehaald werden?
Figuur 5 Aantal geredde mensen en mogelijk een vaarroute. 7
In het Dalfser archief zijn ook de uitgekeerde bedragen op beide dagen gespecificeerd. Wolter Wolters en zijn bemanning kregen het volgende 8 :
“Nota
Van de door het Gemeente Bestuur van Dalfsen aangewende kosten Tot redding van menschen en vee, bij den jongsten watervloed 5 feb. Schipper W. Wolters met zijn schuit & 6 manschappen aan boord voor de schuit f. 6,-- voor de manschappen f. 13,50 6 feb. voor de schuit f. 4,-- 5 manschappen aan boord f. 7,50 Voor schade aan de schuit en zeillager geleden, vergoeding van legdagen binnendijks f. 10,--”
Gezien de lagere vergoeding voor schuit en bemanning op zondag zullen ze die dag korter in touw zijn geweest. Dat kwam Wolter Wolters ook wel goed uit. Op die dag werd zijn huwelijk met Janna Schuttevaar in de Grote Kerk in Dalfsen ingezegend, waar 200 jaar later de klokken zullen luiden ter herdenking van de watersnood. Hebben ze die zondag ook voor het huwelijk geluid?
Figuur 6. Huwelijksregister van de Nederlandse Hervormde gemeente in Dalfsen 9
Naast de 3 door de schout op pad gestuurde schuiten zijn ook nog vele kleinere schepen ingezet geweest. In de lijsten vinden we “GJ Westerhof met zijn schuitje”, “Schipper P. Weenink en H.J. Havers met een klein schuitje” en “H.J. Timmerman en G. Maat met schadevergoedingen aan hun schuitjes”.
Verder staat in de lijst nog een flinke rij mensen die “zoo met als zonder vaartuigen” allemaal f. 2,25 per persoon kregen. Het duidelijke onderscheid tussen schuiten en schuitjes maakt het aannemelijk dat de grotere schepen zompen waren. Hier en daar wordt gedetailleerd beschreven waar de hulp uit bestond:
“G. Appelhof, Broekhuizen, 2 beesten van schipper … zijn uitgeholpen” “H.J. Timmerman, de kinderen van Harm Bakker uitgeholpen” “Klaas Vredeveld en Lambert Jan van Rechteren, levensmiddelen gebracht naar H.J. Visscher“ “Pouwel Weenink en Hendrik Havers het schuitje van Beese over de Dijk bij Olimanshus gewerkt” Enz. enz.
Bij de volkstelling 1811 woonden er zo’n 40 schippers in het dorp Dalfsen. Uit het kadaster kunnen ook de schippers die woningen in eigendom hadden in 1825 afgeleid worden. De meeste namen van eigenaren zijn ook weer terug te vinden in de vergoedingslijsten.
Figuur 7. Schippers en hun huizen in eigendom rond 1825 10
Op 26 maart 1825 werden de vergoedingen uitbetaald. Alle schippers ondertekenden de declaratie maar Wolter Wolters is afwezig. Zijn vader Meindert Wolters tekent voor hem.
Figuur 8. Handtekeningen onder de kwitantie van f. 41,-- 11
Wolter had de 26ste andere dingen aan zijn hoofd. Een paar dagen eerder werd hun dochter Aaltjen geboren en zij zal op 28 maart overlijden. Het huwelijk van Wolter Wolters en Janna Schuttevaar is ook verder niet onder een gelukkig gesternte gesloten. Janna Schuttevaar overlijdt al op 7 oktober dat jaar.
Maar Wolter Wolters zal in 1828 hertrouwen met Aaltje van Kuik en zij kregen 8 kinderen. De vier zonen gaan allemaal varen. We vinden ze terug als schippersknecht in Hattem, schipper in Rotterdam, veerbaas in Nijmegen en sleepbootkapitein in Zwolle. Dochter Gesina trouwt in 1860 met de schipper Hendrik Jan Schuttevaar, een neefje van Wolter’s eerste vrouw Janna. Op 17 mei 1861 wordt hun dochter Bertha in Dalfsen geboren. Met haar smelten 36 jaar na het ongelukkig verlopen huwelijk van haar grootvader en oudtante de schippersgeslachten Wolters en Schuttevaar toch nog samen. Zij trouwt in 1886 in Bemmel en zal zich daar rond 1900 met man en kinderen laten vereeuwigen.
Figuur 9. Bertha Schuttevaar, Johan Schaeffer en kinderen (foto Historische Kring Bemmel)
Noten
1 - Collectie Overijssel, Toegang 0123, inv. nr. 1718 2 - Op die plek staat nu Brasserie De Zeven Deugden 3 - Zie Delpher.nl 4 - Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Dalfsen, Overijssel, sectie K, blad 04, Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed, Documentnummer: MIN04008K04 5 - Collectie Overijssel, toegang 0234, inv. 1043 t/m 1049 6 - OudDalfsen.nl/Stamboom 7 - Collectie Overijssel, Toegang 0624, inv. nr. 1044 8 - Ibidem 9 - Collectie Overijssel, Toegang 0469, inv.nr. 2 10 - HisGis.nl, zoeken op Gemeente=’Dalfsen’; Beroep=’Schip’; soort=’huis’ 11 - Collectie Overijssel, Toegang 0624, inv. nr. 1044
Literatuur
Ab Goutbeek (2011), Stormvloed van 1825 in Dalfsen. In Rondom Dalfsen 70, april 2011. J. Ter Pelkwijk (1826), Beschrijving van Overijssels Watersnood (downloadbaar als Google Book). G.J. Schutten (1981), Varen waar geen water is: reconstructie van een verdwenen wereld. Geschiedenis van de scheepvaart ten oosten van de IJssel van 1300 tot 1930. Broekhuis/Twentsche Courant: Hengelo. Themanummer De Watersnood van 1825 in 2025 herdacht, Tijdschrift voor waterstaatsgeschiedenis 2024-1/2 , december 2024.
Meer weten over de ramp in Dalfsen? Auteur Peter Laarakker vertelde aan Vechtdal TV over wat de stormvloed voor Dalfsen betekende:
Vergeten stormvloed 1825 in Dalfsen.
De zeedijk en dijkstoel bij Laag Zuthem
Door Marije Keizers
Op zo’n 10 fietskilometers van het centrum van Zwolle, ligt Laag Zuthem. Ondanks dat er in Ter Pelkwijk vluchtig melding wordt gemaakt van de ramp in Zuthem als onderdeel van het Zwollerkerspel (Ter Pelwijk 1826: 195-205), zijn er toch zeker maatregelen genomen tegen de invloeden van het water. Dit is tegenwoordig nog zichtbaar rondom landgoed Den Alerdinck; er is een dijkstoel en een zeedijk.
Den Alerdinck
Water nam een belangrijke plaats in in de geschiedenis van Laag Zuthem. Door de opkomst van de Twentse textielindustrie was er bijvoorbeeld behoefte aan transport over water. Aan het eind van de 18e eeuw liet de toenmalige eigenaar van Den Alerdinck een het Nieuwe Kanaal graven voor de aanvoer van mest uit Zwolle. Na de stormvloed volgden nog meer kanalen als onderdeel van de Overijsselse Kanalisatie Maatschappij (OKM)(Keizers 2010: 29).
Laag Zuthem ligt aan de Nieuwe Wetering, waar bij hoog water vaker overstromingen plaatsvonden. Na de watersnoodramp van 1825 is er in 1830 de laatste hand gelegd aan een zeedijk en werd er een dijkstoel geplaatst (website Dalfsennet).
Dijkstoel van Salland 5e rot
Locatie: Kolkweg 2a te Laag Zuthem
Dijkstoelen werden op verschillende plekken geplaatst en dienden als schuilplaats voor bestuurders en arbeiders tijdens hun veldbezoeken. Daarnaast waren ze vooral bedoeld als magazijn voor materialen en gereedschappen, zodat er bij overstromingen snel maatregelen genomen konden worden. in de dijkstoel werden kruiwagens, spaden, planken en schotten bewaard, waarmee dijkdoorbraken afgesloten konden worden. De “Dijkstoel van Salland het 5e rot” werd rond 1900 gebouwd en is tegenwoordig een gemeentelijk monument (Website Dalfsennet en Monumenten.nl).
Tip: In de buurt van de Dijkstoel en het bordje van de Zeedijk, aan de Zuthemerweg 31, is in de zomerweekenden een terras te vinden als rustpunt.
De Zeedijk
Locatie: Tegenover Zuthemerweg 31 te Laag Zuthem
Als u net na de dijkstoel uw weg vervolgt naar links, de brug over, komt u bij de Zeedijk. Direct achter dit bordje loopt een pad omhoog de oude zeedijk op. De zeedijk liep langs de Zuthemerweg, Grote Hagenweg, Armjagersdijk en Hogeweg. Delen van de dijk zijn nog te zien als verhogingen in het landschap (Keizers 2010: 29-32)
De Zeedijk, werd 1829-1830 in aangelegd in opdracht van Bernard J. van Sonsbeeck (1772-1858, sinds 1797 eigenaar van de havezathe Den Alerdinck en omliggende landgoed). De dijk is zo’n 3.6 kilometer lang en heeft als taak het gebied tot de Kluinhaar (richting Heino) te beschermen tegen het oplopende water van de IJssel. In 1883 en 1895 heeft de dijk het water gekeerd. In 1995 is de zeewaterkerende dijk een provinciaal monument geworden (Keizers 2010: 29-32; Natuurmonumenten.nl).
In 1830 aangelegde zeedijk (bij benadering)
Literatuurlijst
- Dalfsennet. (z.d.). Zeedijk maakte einde aan grote overstromingen in Salland. Geraadpleegd op 18 januari 2025, van https://www.dalfsennet.nl/nieuws/254793/zeedijk-maakte-einde-aan-grote-overstromingen-is-salland.html ·
- Monumenten.nl. (z.d.). Monument 1002485600. Geraadpleegd op 18 januari 2025, van https://www.monumenten.nl/monument/1002485600
- Natuurmonumenten. (z.d.). Natuurgebied Den Alerdinck. Geraadpleegd op 18 januari 2025, van https://www.natuurmonumenten.nl/natuurgebieden/den-alerdinck
- Pelkwijk, J. ter 1826, Beschrijving van Overijssels Watersnood, Zwolle·
- Keizers, M. 2010: Laag-Zuthem – Straatnamen en hun geschiedenis, in: Omheining 2010, nr.2
Dieze, pachtboerderij De Hemel, het verhaal van de familie Jan Hendrik Mensink
Door Huub Mensink
De mark Dieze tot 1850 1
topografische kaart ca. 1890 met boerderijen De Hemel en De Hel in Dieze
In de 19-de eeuw (en daarvoor) was er een scherp contrast tussen de stad Zwolle met z’n nog middeleeuwse stratenstructuur en het landelijke Dieze. Wie de oude, vervallen Diezerpoort en de twee Diezerpoortbruggen was gepasseerd, stond haast zonder overgang op het platteland, een lappendeken van wei- en hooilanden, en hier en daar een stukje bouwland met aardappelen, rogge en groenten. Lanen, zandpaden, weggetjes en sloten verdeelden de landerijen in tamelijk strakke vakken van verschillende grootte. Daaromheen lagen niet ver van elkaar de schamele boerderijtjes van de keuters en de daghuurders. Dit was het oudst bewoonde gedeelte van Dieze. Het was een coulisselandschap: bomen, struiken, hagen en houtwallen om de akkers en boerderijen heen belemmerden het uitzicht op de uitgestrektheid van de rest van de polder. Dieze was tot halverwege de 19-de eeuw vooral een veeteeltgebied: twee derde van de grond bestond volgens een opgave uit 1815 uit hooi- en weiland, de rest uit bouwland. Die nadruk op de veeteelt kwam ook in de naamgeving tot uiting. De keuters en daghuurders van Dieze werden koemelkers genoemd en hun woonomgeving heette de Koemelkershoek (het gebied langs de Langenholterweg). Aan het eind van de 19-de eeuw zou het karakter van de boerenbedrijven tamelijk snel veranderen: steeds meer veeboeren werden tuinder of combineerden veehouderij en tuinderij. Het relatief dichtbevolkte, oude Dieze was maar een klein deel van de marke. Voorbij de stegen waar de koemelkers woonden, lag het uitgestrekte weidegebied van Dieze, dat begrensd werd door de grachten van Zwolle, het Zwartewater en de Westerveldse Aa. Een wandeling dwars door Dieze duurde meer dan een uur. Wie daarvoor de moeite nam, zag een echt Hollands polderlandschap, met alle coulissen die daar traditioneel bij horen: boerderijen, molens, wilgen, elzen, rietlanden en natuurlijk weilanden, hooilanden en akkers. Onopvallend maar vooral aanwezig waren de vele sloten, waarin nauwelijks waarneembaar, dag in dag uit, het overtollige water weg sijpelde. Het moet er doodstil zijn geweest; er was geen ander verkeer dan een enkele boerenkar met hooi, mest of aardappelen.
In bovengenoemd gebied lag de pachtboerderij de Hemel halverwege de Holterbroekerweg, een weg die vanaf de stad tot de boerderij de Klooijenberg midden in het uitgestrekte polderlandschap lag.
Ligging boerderij De Hemel
De Hemel lag in 1825 aan de Holtenbroekerweg, 2 deze weg liep vanaf de boerderij de Klooienberg naar de stad. Halverwege aan de noordzijde lag De Hemel, volgens een archeologisch onderzoek van september 2003 Holtenbroek IV van Michael Klomp.
Door het archeologisch onderzoek Holtenbroek I, Mozartlaan en een oude kadastrale minuutplan uit 1832 op de GBKN uit 2003 te combineren, lijkt de Hemel onder de Obrechtflat aan de Obrechtstraat te situeren. De Holtenbroekerweg is grotendeels op een dekzandrug aangelegd. Uit archeologisch onderzoek blijkt, dat een groot gedeelte van Holtenbroek bestaat uit een bodem van klei op veen. De wijk Holtenbroek behoorde in de Late Middeleeuwen tot de marke Dieze. Rond 1877 is de Hemel afgebroken, het huis werd op de oude plaats opnieuw herbouwd. Op een kaart van 1965 valt af te leiden dat een deel van de Holtenbroekerweg met aanliggende boerderij de “Klooienberg” nog aanwezig is. Op de plaats van de in 1877 gesloopte Hemel is tevens een boerderij te zien.
Beschrijving pachtboerderij De Hemel tijdens watersnoodramp 1825
Korte weergave uit het boek Overijssels Watersnood , een verslag van de ramp uit 1825 geschreven door J. Ter Pelkwijk, gedeputeerde Overijssel, een familieverslag over Jan Hendrik Mensink woonachtig in het woonhuis “De Hemel”, Holtenbroekerweg, Holtenbroek, de mark Dieze te Zwolle. 3
Een fragment:
"De mark Diese geraakte mede diep onder water, door de overstroming der Zwartewaters dijken, uit Mastenbroek. De voorsteden buiten de drie poorten, welke een groot aantal zielen bevatten, werden insgelijks bijna geheel overstroomd. – De spoedige aanwas van het water ontstelde de anders vrij geruste ingezetenen der stad zeer, en deze ontsteltenis werd spoedig nog vergroot, door de aankomst van een groot aantal vlugtelingen, uit de voorsteden enz. , die zich en hun vee binnen de stad in veiligheid zochten te stellen. De Bethlehemsche kerk werd dadelijk opgeruimd , ter berging van het vee, dat in de stads en bijzondere stallen niet geborgen konde worden, en de Regering zorgde , dat de vlugtelingen, welke geene toevlugt tot hunne bekenden in de stad genomen hadden, aldaar van het noodige werden voorzien. Hoe zeer nu de omstreken in de nabijheid der stad, in vergelijking met Mastenbroek en andere plaatsen, weinig hebben geleden, en binnen de gemeente Zwolle, gelukkig, niemand het leven heeft verloren, waren evenwel vele bewoners van laag gelegen huizen, vooral aan de oostzijde der stad, in den akeligen nacht van den 4-den op de 5-den Februarij, gansch niet buiten gevaar, en liet er zich van die zijde een angstig noodgeschrei hooren. Er werden daarom maatregelen genomen, om door middel van schuiten aldaar hulp toe te brengen, waarin zich onderscheidene ingezetenen van de voorstad, buiten de Dieserpoort, zeer verdienstelijk hebben gedragen.
Jan Hendrik Mensink, wonende in Diese, in het huis de Hemel genoemd, werd op den 4-den Februarij, te 3 uren in den namiddag, door het water beloopen. Hij was alleen met eenen zoon te huis, terwijl zijne vrouw, zijn andere zoon en eene dochter met een schuit naar de stad gevaren waren, om de weekmarkt te bezoeken. Deze deden vergeefsche pogingen, om weder te huis te komen, en landden aan bij Barteld Hassevoort, waar de vrouw bleef. De zoon en dochter beproefden nog eens het huis te bereiken, en kwamen des avonds bij hunnen buurman, Mannes Alferink, waar zij tot den anderen morgen verbleven, toen zij weder bij hunnen vader te huis kwamen. Op de vorigen dag waren reeds drie personen, met eenen bok, van den zaagmolen van den Heer Schaepman aan dit huis gekomen, namelijk Hendrik Nijboer, Berend Meijer en Hendrik Hegthuis, welke er met levensgevaar den nacht overbleven, terwijl een gedeelte der koeijen in den bok bewaard bleef en 7 andere verdronken. Toen de tweede zoon des morgens met eene schuit te huis was gekomen, nam hij vier koeijen met zich naar de stad. Daarna voeren J.H. Mensink en de drie voormelde personen, met twee koeijen in den bok en een achteraanzwemmend paard, hetwelk men niet in denzelven had kunnen krijgen, naar het huis van Harmen Bos. Dit huisgezin werd derhalve, na het uitstaan van veel gevaar, nog gelukkig gered."
Uit bovenstaand verhaal blijkt, dat er gelukkig alleen materiële schade was en dat er 7 koeien waren verdronken. Met een bok en schuiten wist J.H. Mensink en zijn zoons zichzelf en de familie van Harmen Bos te redden. De gehele schade in de gemeente Zwolle (grotendeels de Marke Dieze) viel mee; er waren geen mensen verdronken, het ging om 72 runderen, 2 paarden, 9 varkens, 12 korven met bijen, 12 weggespoelde gebouwen en 59 onbewoonbaar geworden en beschadigde gebouwen. Daarentegen was de schade in Zwollerkerspel beduidend hoger, omdat dat gedeelte voornamelijk in de Mastenbroekerpolder lag, te weten 26 verdronken mensen, 2882 runderen, 98 paarden, 59 schapen, 138 varkens 106 korven met bijen, 25 weggespoelde gebouwen en 233 onbewoonbaar geworden en beschadigde gebouwen. (3) Blijkbaar hebben de dijken van het Zwartewater, de marke Dieze voor het ergste weten te behoeden, tevens was de stad Zwolle als toevluchtsoord nabij. Een subcommissie op gemeentelijk niveau, een afgeleide van de provinciale commissie van Overijssel, was verantwoordelijk voor de inventarisatie van de geleden schade en de vaststelling op grond daarvan van vergoeding en onderstand. Lang niet alle opgaven werden zonder meer geaccepteerd, vele werden nader onderzocht en getoetst. Bijvoorbeeld in IJsselmuiden werd een derde van de claims afgewezen. Toch was de toedeling over het algemeen ruimhartig. Bijvoorbeeld in Kampen werd de aanschaf van 383 nieuwe melkkoeien, voor slachtoffers van de watersnoodramp, gesubsidieerd met een bedrag van fl.60,- per stuk, wat neerkomt op een totaal van bijna fl.23.000,-
Relatie familie Mensink met boerderij de Hemel
Om de impact van de ramp te duiden wil ik u graag meenemen in de stamboom van mijn voorouder J. H. Mensink die op boerderij De Hemel de stormvloed doorstond. 4
Joannes Hendrikus wordt in september 1756 geboren als zoon van Jannes Jansen Mensink Krijghuis eigenaar van de katerstede Jan Graven of Krijghuis te Linderte (gem. Raalte). Hij sterft in 1831 enige jaren na de ramp op 75 jarige leeftijd in Zwolle. In 1795 trouwde hij in Zwolle - Onder de Bogen met Susanna (Swane) Zwaantje Gerrits (Holleboom). Zij overleed op 7-9-1842 te Dieze, 79 jaar oud.
De zoon van Joannes Henricus Mensink was Bernardus Mensink, geboren 31-5-1798 en overleden op 3-8-1873, hij kwam na zijn huwelijk op 26-4-1827 te wonen aan de Pannenkoekendijk te Zwolle. Dus ruim twee jaar na de watersnoodramp. Later verhuisde Bernardus naar de Hoogstraat te Zwolle. Zowel Joannes Hendrikus en zijn zoon Bernardus waren van beroep landbouwer. De klap van de watersnood was zwaar geweest, meestal was het land 1 jaar of langer nauwelijks productief vanwege het hoge zoutgehalte, dit bracht verarming te weeg. Ook Bernardus en zijn vrouw Jacomine van Reck kregen hierdoor een terugslag, zij leefden in behoeftige omstandigheden. Pas na twee generaties kwam zijn zoon Theodorus Mensink, geb. 24-5-1834 de klap weer te boven, hij woonde aan de Gasthuisdijk, Frankhuis, Zwolle en was landbouwer, hij woonde dicht bij de monding van de Riete naar het Zwartewater.
In 1924 werd van een van de zonen van Theodorus, te weten Antonius Bernardus Mensink op die plek een stuk grond gekocht om een elektrische bemalingsinstallatie te plaatsen. 5 Vanaf die tijd kon eindelijk in Spoolde/Veerallee en omstreken de waterstand beter geregeld worden. Een van de zonen van Theodorus, zijn zoon Everhardus, eveneens landbouwer/tuinder, kwam na een korte bewoning langs de Willemsvaart, uiteindelijk te wonen in Spoolde, aan de Nieuwe Weg (later Beukenallee). Met de winterdag en vroege lente liep het weiland en bouwland van Everhardus Mensink tot 1924 bij herhaling onder water vanwege kwelwater van de IJssel. Door de plaatsing van het elektrische gemaal bij Frankhuis had de ene broer de andere broer (onbewust) geholpen de voeten droog te houden, waardoor een betere bedrijfsvoering en bewoning aan de Nieuwe Weg (later Beukenallee) te Spoolde mogelijk was geworden. Voor 1924 kwam het water bij herhaling tot om de boerderij aan de Beukenallee 35, er was dan een roeibootje nodig om weg te komen. Helaas is een oude foto hiervan niet meer beschikbaar.
De familie Mensink en water was vanaf 1825 tot 1925 zeker een 100 jarig gevecht, de spreuk Luctor et Emergo, ik worstel en kom boven lijkt mij in dit geval wel van toepassing.
Bronvermelding:
- Vergeten levens, geschiedenissen van het Sallandse land, pag. 274-275
- Archeologische Rapporten, Holtenbroek IV, Manifestatieterrein, Michael Klomp d.d. september 2003, pag. 5-6
- Overijssels Watersnood. Een heruitgave van het verslag van de ramp van 1825 door J. Ter Pelkwijk, pag. 154 en 155, verzamelstaat waterramp pag. 212 en 213, het “vaderlandsch gevoel”, XI
- Kwartierstaat van Hubertus Johannes Maria Mensink
- Leven met het water in de IJsseldelta, een waterschapsgeschiedenis, Wim Coster, pag. 102
Noodhulp
De watersnoodramp van 1825 was de eerste ramp die werkelijk door alle Nederlanders gezamenlijk werd beleefd. In heel Nederland kwamen hulpacties op gang om te voorzien in de eerste behoeften aan voedsel, kleding en onderdak in het rampgebied. Ook werden subsidies beschikbaar gesteld voor de reparatie van woningen en schuren, de aanschaf van landbouwgereedschap en de aankoop van vee. De noodhulp geeft ons vandaag een goede inkijk in de omvang van de ramp en de impact die de overstroming had op de bevolking.
Geldelijke noodhulp uitgekeerd door provinciale commissie per gemeente (grootte bol: verhouding tot bevolkingsaantal)
Ramp door ramp
De malaria-epidemie die volgde op de watersnoodramp van 1825
Door Toos Lodder
Op 4 februari 1825 werden de bewoners van het kustgebied van Nederland opgeschrikt door een stormvloed die drie dagen aanhield. Grote overstromingen waren het gevolg. Deze overstromingen eisten vele slachtoffers, waarvan de meesten in de Kop van Overijssel vielen (305 van de 379). Voor de mensen die het van dichtbij meemaakten omdat ze naasten, hun huis en/of hun vee verloren, moeten die dagen een traumatische ervaring zijn geweest. Maar bij deze ramp bleef het niet. Op de watersnoodramp volgde een malaria-epidemie die van het najaar van 1826 tot in de zomer van 1827 voortduurde. Het is moeilijk te zeggen of de malaria-epidemie in Overijssel het aantal dodelijk slachtoffers van de watersnood heeft overtroffen. In sommige gemeenten was dat zeker het geval, maar veel cijfers ontbreken. In ieder geval had de epidemie een sterk ontwrichtende werking op de dorpsgemeenschappen omdat vaak een groot gedeelte van de lokale bevolking langdurig door ziekte geveld was. In het begin, omstreeks augustus 1826, werd vooral de stad Groningen door de ziekte getroffen. Aanvankelijk sloeg men geen alarm. Malaria was toen nog niet onder die naam bekend, maar stak in kustgebieden in het najaar bijna altijd wel ergens de kop op, zonder tot rampzalige gevolgen te leiden. Hij werd de anderdaagse koorts, derdedaags koorts of herfstkoorts genoemd. Maar in 1826 was het anders. In Groningen nam de ziekte al snel epidemische vormen aan. Ook grote delen van Friesland werden getroffen en vervolgens ook Overijssel. In de Nederlandsche Staatscourant van 25-10-1826 liet de Gouverneur van Overijssel het volgende bericht plaatsen:
"De ziekte, welke in de provincien Groningen en Vriesland, sints eenigen tijd de ontzettendste verwoestingen heeft aangerigt, is ook sedert eenige weken naar de provincie Overijssel overgeslagen." Nederlandsche Staatscourant (NSc) van 25-10-1826 (via Delpher, 4-7-2024)
De oorzaak van deze grootschalige uitbraak van malaria lag in de overstromingsramp uit 1825. Vooral door de combinatie van een uitzonderlijk warme zomer in 1826 en het feit dat in een aantal gebieden na de overstromingen lange tijd brak water op het land had gestaan ontstond een uitstekend biotoop voor de malariamug. Indertijd vermoedde men wel een verband tussen de overstromingen en de ziekte maar de malariamug als ziekteverwekker was nog niet bekend.
De gouverneur van Overijssel stelt eind oktober 1826 een provinciale commissie in die tot taak heeft om de omvang en de verspreiding van de ziekte te volgen en om steun te verlenen aan getroffen gemeenten. Daar worden al snel plaatselijke commissies ingericht die wekelijks rapporteren aan de hoofdcommissie in Zwolle. 16 gemeenten besluiten tot de oprichting van zo’n commissie: Kuinre/Blankenham, Oldemarkt, Steenwijkerwoud, Steenwijk, Blokzijl, Giethoorn, Ambt Vollenhove, Stad Vollenhove, Wanneperveen, Schokland, Genemuiden, Zwartsluis, Kamperveen, Kampen, IJsselmuiden en Grafhorst. Vanaf november 1826 neemt het aantal zieken snel toe. Soms is meer dan de helft van een gemeenschap door ziekte geveld. Ondersteuning gaat naar de ‘minvermogenden’ of ‘minbedeelden’: dagloners en (veld-)arbeiders. Doel is om te voorkomen dat deze huisgezinnen vervallen tot de armenkas. Hoewel de ‘minbedeelden’ die steun ontvangen dus niet leven van de armenzorg, ligt ook voor sommigen uit deze groep het vragen en ontvangen van hulp gevoelig. Zodra leden van een getroffen huisgezin weer voldoende hersteld zijn om te werken worden ze hiertoe aangemoedigd, om ‘geen bedelaars te kweken’. Maar in de winterperiode is er in gemeenten die afhankelijk zijn van veldarbeid nauwelijks werk te vinden.
Ondersteuning slachtoffers epidemie (% zielen t.o.v. totale bevolking)
De provinciale commissie deelt geld uit aan de getroffen gemeenten, maar ook textiel en voedingsmiddelen. In de loop van haar bestaan gaat het om ca. 22.000 gulden. Gemeenten zijn daarnaast actief in het werven van giften op landelijk niveau. In de periode van november 1826 tot maart 1827 staan er bijna dagelijks berichten in de Nederlandse Staatcourant over de staat van de ziekte in de verschillende delen van het land en over binnengekomen giften voor de noodlijdenden.
Vanaf half februari is het verloop van de ziekte in de verschillende gemeenten redelijk te volgen, omdat er vanaf dan veel systematischer verslag wordt gedaan: hoeveel gezinnen worden ondersteund, uit hoeveel ‘zielen’ bestaan die gezinnen en wat zijn behoeften. De ziekte houdt in een aantal gemeenten zeer hardnekkig stand. Begin april krijgen elf van der zestien getroffen gemeenten nog een bijdrage van de hoofdcommissie. Eind juli 1827 wordt aan vijf gemeenten nog een laatste budget toegedeeld: Blokzijl, Zwartsluis, Wanneperveen, Steenwijkerwoud en Giethoorn. Het archief van de hoofdcommissie eindigt eind juli 1827.
Het verslag van de hoofdcommissie van 21-2-1827 geeft een mooi overzicht van het aantal gezinnen dat dan steun krijgt en het totaal aantal gezinsleden in die gezinnen. [1] Het werkelijk aantal gezinnen met zieken ligt aanmerkelijk hoger, doordat in de verslagen meestal alleen het aantal ondersteunde gezinnen wordt vermeld.
De weekrapporten van alle getroffen gemeenten zijn lang niet altijd in het archief aanwezig en ook niet even compleet in hun verantwoording over het verloop van de ziekte. Met het beschikbare materiaal is een overzicht gemaakt van de omvang en het verloop van de steun aan getroffen huishoudens in de tijd. In onderstaande grafiek is het aantal getroffen huishoudens gerelateerd aan de omvang van de gemeente volgens Ter Pelkwijk. [2] Hieruit blijkt dat Blokzijl en Kuinre/Blankenham de zwaarst getroffen gemeenten zijn, gevolgd door Grafhorst, Oldemarkt en Giethoorn.
Verantwoording: De gegevens in de overzichten per gemeente komen uit de notulen van de provinciale hoofdcommissie en de weekrapporten van de getroffen gemeenten zoals aanwezig in het archief Collectie Overijssel toegang 0025 inv. Nrs. 19162 en 19163. Bovendien heb ik gebruik gemaakt van het krantenarchief uit de periode augustus 1826-augustus 1827 zoals toegankelijk gemaakt via Delpher. Voor de grafieken heb ik gebruik gemaakt van de inwoneraantallen zoals vermeld door ter Pelkwijk. Die zijn soms hoger dan gegevens uit de krantenartikelen of de weekrapportages. Waar weekrapportages ontbreken of cijfers over het aantal ondersteunde gezinnen onvolledig zijn heb ik die uit tussenliggende weken geïnterpoleerd.
Noten:
[1] Collectie Overijssel (CO) toegang 0025 inv nr 19162 en 19163, bewerking auteur. Pelkwijk, J. ter, (1826), Beschrijving van Overijssels Watersnood, in Februarij 1825.
[2] Omdat de cijfers van het aantal ondersteunde huisgezinnen completer was dan van het aantal ‘zielen’ in die huishoudens heb ik dat getal genomen, waardoor gezinnen van wisselende grootte, gemiddeld tussen de 4 en 5 mensen, worden gerelateerd aan de omvang van de bevolking.

Blokzijl
“[In de gemeente Blokzijl met 1500 inwoners zijn de zieken geteld], en dat dezelve zijn een aantal van 770 te beloopen, waaronder 480, welke aan de beterende hand waren. Vijf honderd der bewoners dier gemeente waren hersteld, doch te zwak, om hun bedrijf naar behooren te verrigten, weshalve de plaats ter nauwernood 200 gezonde menschen konde opleveren. Het aantal der aldaar in de jongste drie maanden gestorvenen bedraagt 70 personen, terwijl in gewone tijden het getal der overledenen in een geheel jaar op 30 à 40 personen wordt berekend”[1], aldus de Nederlandsche Staatcourant van maandag 6 november 1826. Ter vergelijking: tijdens de watersnoodramp, een jaar eerder, verdronken 4 mensen in Blokzijl.

Genemuiden
“De commissie tot onderstand te Genemuiden, […] berigt tevens dat, van ruim 1300 inwoners, welke die gemeente bevat, schier allen uit handwerklieden bestaande, nagenoeg 500 door de heerschende ziekte zijn getroffen, […] en de oogen van menig huisvader en weduwe in dezen op de commissie gevestigd houdt, om, zoo mogelijk, door dezelve voor de vernedering bevrijd te worden, van elders onderstand te moeten vragen. Ter oorzake van welke gesteldheid de commissie, die, tijdens den Watervloed van het verleden jaar, het genoegen mogt hebben om vele tranen te droogen, de hope koestert van, in de tegenwoordige omstandigheden, niet te worden teleur gesteld, waartoe zij de vrijheid neemt, de lijdenden onder haar toevoorzigt, aan elk weldenkende, ten sterksten aan te bevelen.”[1]

Giethoorn
“De Commissie ter verzorging van de noodlijdenden door de thans heerschende ziekte in deeze gemeente heeft bij deezen de eer te berigten dat het haar is voorgekomen dat wel in deeze Gemeente een buitengewoon aantal ingezetenen aan de koorts laboreren, doch niet zodanig dat daardoor op dit ogenblik behoefte ontstaat en geene derzelver onderstand behoeven.”[1]

Kampen
Ook bij de commissie ter voorziening te Kampen zijn van elders ingekomen drie giften, te zamen bedragende fl.134,87 ½. Deze commissie schrijft in dato den 30sten october, dat de ziekte op de meeste plaatsen nog met afwisselende woede heerscht, en verklaart zich daarom bij voortduring bereid, tot de ontvangst van gelden, kleedingstukken, wijn, bessensap, enz. en verzoekt der weldadigheid bij vernieuwing hare pogingen blijkbaar te willen ondersteunen.”[1]

Kamperveen
Op het schrijven van de gouverneur van 25 oktober 1826 richt de burgemeester van Kamperveen direct een plaatselijke commissie op: “Ter voldoening aan de aanschrijving van uwe Excellentie de dato 25 October 1826 heb ik de eer uwe Excellentie te informeren dat door mij dadelijk de daarbij verlangde Commisse aangestelt en nevens mij in deze kwaliteit bestaat uit de Heeren […]”en dan volgen namen en functies van de andere leden van de commissie: de predikant, de assesor (wethouder) en nog 2 raadsleden. [1]

Kuinre en Blankenham
“ZWOLLE, den 30. October. [...] In de gemeente Kuinre en Blankenham, te zamen bestaande uit eene bevolking van ongeveer 1100 zielen, bevinden zich 468 zieken, en zijn aldaar, van den 1. tot den 27. dezer maand, veertien personen overleden.”[1]

Oldemarkt
“OLDEMARKT, (Overijssel) den 22. October. De thans algemeen heerschende ziekte, ofschoon hier eenigszins later dan op andere plaatsen doorgedrongen, woedt vooral sterk in het lage gedeelte dezer gemeente – De sterfte is tot eene zoodanige hoogte geklommen, dat er op eene bevolking, welke in dit seizoen geen 1600 te boven gaat, in deze maand reeds 22 zijn bezweken. – En door het overlijden van den Genees- en Heelmeester Werfelman, ontbreekt in de meer afgelegen plaatsen Calenberg en Ossenzijl, ten eenen male geneeskundige hulp.”[1]

Schokland
Schokland en Wanneperveen zijn de twee gemeenten waar als laatste een plaatselijk commissie wordt opgericht. In het verslag van de hoofdcommissie van 7-2-1827 lezen we: “benevens [de verslagen] der twee nieuw opgerigte Commissies te Wanneperveen en Schokland, houdende alle opgaven van den Staat harer administratie en der behoeften.”[1] Uit de aanvraag voor steun van de gemeente Schokland van 1 februari 1827 blijkt dat sommige inwoners dan al zeker een half jaar ziek zijn.

Vollenhove
(stad en ambt)[1]

Wanneperveen
Ter Pelkwijk eindigt zijn rapportage over de gebeurtenissen tijdens de watersnood in Wanneperveen met de volgende woorden: “Evenwel blijft het vooruitzigt in de toekomst kommervol, daar de schade, door de minstvermogende klasse geleden, zoo groot is, en de bijna geheele vernieling der rietlanden, welke derzelve, in den winter en het vroege voorjaar, arbeid en dus een bestaan verschaffen, nog lang de schadelijke gevolgen voor haar hebben zal.”[1]

IJsselmuiden en Grafhorst
“Voorts gelezen eene missieve van den Heer Med. Dr. Hoffman te Kampen, in antwoord op de daaromtrent gedane vraag, te kennen gevende dat de heerschende ziekte zich wel degelijk in de Gemeente IJsselmuiden, zoo ook in die van Grafhorst verspreid had en behoefte bij sommige huisgezinnen deed ontstaan.”[1]

Zwartsluis
“De commissie te Zwartsluis, die, na alvorens voor andere plaatsen te hebben ingezameld in de helft der vorige maand gedrongen werd de milddadigheid tot ondersteuning van derzelver eigen zieken in te roepen, heeft sedert tot dat einde, van de hoofdcommissie te Zwolle fl. 300,- en eenig linnengoed, van de andere commissie te Zwolle[1] fl.80,- en eenige levensmiddelen, van de commissie te Vollenhove fl. 25,-, van de hervormde gemeente te Schiedam fl. 100,- en uit Wageningen fl.12,37,1/2 ontvangen; heeft daarvan in dato 11den dezer, berigt gedaan en beveelt harer behoeftige lijders verder der menschlievendheid aan”.[2]
De stormvloed van 1825 was een catastrofale ramp voor de bewoners, maar veranderde niet direct hun manier van leven. Na de overstroming werd de schade hersteld, en de mensen gingen door met hun oude gewoontes. Zowel de overlevenden als nieuwkomers leefden weer zoals ze altijd hadden gedaan.
De ramp van 1825 was één van de zwaarste overstromingen in de delta, maar net als bij eerdere overstromingen pakten de mensen het leven weer op met dezelfde aanpak. De echte verandering kwam pas jaren later. De ramp zorgde ervoor dat mensen anders gingen nadenken over waterbeheer en het organiseren van dijkonderhoud. Dit leidde uiteindelijk tot hogere dijken en het einde van deze oude manier van leven.
Impact van de ramp op waterbeheer
Een gevolg van de watersnoodramp was dat er in Nederland meer aandacht kwam voor de dijken. In Overijssel werden op 1 maart 1836 alle oude polder- en dijkbesturen afgeschaft. In plaats daarvan kwamen er negen nieuwe dijkgebieden. Deze nieuwe dijkgebieden kregen geld van de overheid om de dijken beter te beschermen.
Ook kregen de provincies meer invloed op de waterschappen. Voorheen werden de waterschappen vaak zelfstandig en niet altijd goed bestuurd door verschillende groepen. Door de nieuwe rol van de overheid verbeterde het waterbeheer snel.
In 1916 zorgde een grote overstroming opnieuw voor veel schade, vooral in Noord-Holland. Deze ramp leidde tot het besluit om de Zuiderzee af te sluiten. Dit werd de Afsluitdijk, die vanaf 1932 het gebied rond de Zuiderzee en de IJsseldelta veilig maakte tegen overstromingen.
Water en onze toekomst
Nu, 200 jaar na de ramp, hebben we door klimaatverandering opnieuw te maken met risico op overstroming. De kustgebieden krijgen steeds vaker te maken met zout water en hoge waterstanden. Nieuwe overstromingen zijn niet meer helemaal uit te sluiten. Eén van de scenario's om met de stijgende zeespiegel om te gaan is mee bewegen met het water, zoals met in de IJssel- en Vechtdelta eeuwenlang heeft gedaan. Als we beter begrijpen hoe de mensen in deze regio vóór 1825 met water leefden, kunnen we daar misschien inspiratie uit putten voor de toekomst.