Onderzoek naar de stormvloed van 1825

Resultaten van een burgeronderzoeksproject naar het leven in de IJssel- en Vechtdelta voor en na de stormvloed van 1825

Beeld van de watersnoodramp 1825

Introductie

In de nacht van 4 op 5 februari 1825 werd Overijssel getroffen door een grote ramp. Door een zware noordwesterstorm en een hoge vloed braken de dijken langs de Zuiderzee, het Zwarte Water, de IJssel en de Vecht op maar liefst 65 plaatsen. Een derde van de provincie kwam onder water te staan, tot aan plaatsen zoals Staphorst, Dalfsen, Heino en Wijhe. Het kolkende water veegde mensen, vee, bomen en complete boerderijen van de kaart. Velen zagen familieleden voor hun ogen verdrinken. In Overijssel vielen er in totaal 305 doden. Ook de materiële schade was gigantisch. Complete veestapels waren verdronken, waaronder ruim 13.000 koeien en 525 paarden. 574 gebouwen waren weggespoeld; het viervoudige ernstig beschadigd. De schade was onvoorstelbaar groot.

Bijna tweehonderd jaar na dato is de Overijsselse Watersnoodramp een vergeten ramp in ons collectieve geheugen. Terwijl de ramp voor de klimaatopgaven van de toekomst juist ontzettend relevant en actueel is. Met een voorspelde zeespiegelstijging van één tot twee meter in 2100 is een goede waterbeheersing, zowel langs buiten- als binnendijken en rivieren, van cruciaal belang. Zo bleek ook weer tijdens de laatste hoogwaterperiode aan het einde van 2023. De ramp van 1825 en de lessen die daaruit zijn getrokken kunnen een spiegel zijn voor onze huidige en toekomstige omgang met het water. Stichting Overijsselacademie, Het Oversticht en Waterschap Drents-Overijsselse Delta (WDODelta) slaan daarom de handen ineen om in een multidisciplinair programma stil te staan bij de tweehonderdjarige herdenking van de Overijssels Watersnood 1825 en om deze ramp tevens in te zetten als kapstok voor een duurzaam waterbeheer voor de toekomst.

Onderdeel van dit programma is een burgeronderzoeksproject waarin bewoners van de regio, geïnteresseerden in waterstaatsgeschiedenis, archeologie, en geschiedenis onderzoek hebben gedaan naar uiteenlopende thema's rondom de watersnoodramp van 1825 en de manier waarop mensen door de eeuwen heen in deze delta hebben gewoond en het hoofd hebben geboden aan overstromingen, maar er tegelijkertijd ook gebruik van hebben gemaakt. De resultaten van dit onderzoek vind u op deze pagina beschreven door de burgeronderzoekers zelf. In de loop van het herdenkingsjaar zullen nieuwe stukken worden toegevoegd. Kortom, kom zeker nog eens terug!

Powered by Esri

Overstroomd gebied in 1825

Leven met water

Lees meer over de manier van leven met het water in de periode voor 1825 en over dijkbeheer en dijkdoorbraken op de deelpagina:  Leven met water 

De omvang van de ramp

Dodelijke slachtoffers per gemeente (de grootte van de bol en het cijfer in bol geven het aantal slachtoffers aan; het cijfer naast bol is de totale bevolking in 1825)

Aantal verdronken (rood) en gespaarde runderen (geel)

Stormvloed 1825: verhalen en sporen van de ramp

De lotgevallen van Willempje Veldkamp

De malaria-epidemie na de ramp

Schokland

Dijkdoorbraken

Boerderij De Hemel in Dieze

Sporen in het landschap - resten van een kistdijk

'Het water stond tot aan de vensterbank'

Het lot van de familie Hülsmann

Laag Zuthem

Het ontstaan van de IJsseldelta

Drie schelvissen

Dijkdoorbraken Nieuwendijk

Ruimte voor de rivier: 1825 - 2017

Schokland - de slachtoffers

Het familieverhaal van Immy Prins-Mars

Schipper Wolters

De lotgevallen van Willempje Veldkamp

Verder lezen kan hier:  Willempje Veldkamp 

De malaria-epidemie na de ramp

Door Toos Lodder

Lees verder op :  Ramp door ramp 

Schokland

door Anna van 't Hul-Kroes

Lees het hele verhaal hier: D e overstroming van Schokland 

Dijkdoorbraken

door Kees Canters

Kees Canters ging op onderzoek uit naar kolken en wielen om te concluderen dat het dijkdoorbraken in het verleden veel voorkwamen. Lees het hele verhaal op:  Zo lek als een mandje 

Boerderij De Hemel in Dieze

Door Huub Mensink

Lees meer over de lotgevallen van de familie Mensink:  boerderij De Hemel 

Sporen in het landschap - resten van een kistdijk

door Evert de Boer

In 2018 ontdekte Evert de Boer mysterieuze sporen in het gras langs de voormalige zeedijk bij Blankenham. Na onderzoek kwam Evert de Boer tot de conclusie dat het hier gaat om resten van zogenaamde kistdammen. Kistdammen werden geplaatst op zwakke plekken in een dijk en waren een manier om de dijk te versterken zonder dat dit gepaard ging met veel landverlies. Hoe oud de sporen langs de dijk bij Blankenham zijn of wanneer gebruik is gemaakt van kistdammen is op dit moment onduidelijk. Daarvoor is archeologisch onderzoek in het veld noodzakelijk. Het is een feit dat de zeedijk tussen Kuinre en Vollenhove zwaar heeft geleden onder de stormvloed van 1825 heeft grote schade aangebracht aan de zeedijk.

Het volledige verhaal is te lezen in  De Silehammer 28/3 /2020, het tijdschrift van Historische Vereniging IJsselham.

'Het water stond tot aan de vensterbank'

Aangedragen door Liesbeth Hermans en Paula Kuiper

Door de overstroming van 1825 liepen alle laaggelegen gebieden in noordwest Overijssel onder. Hoewel het aantal dodelijke slachtoffers in de verder van de kust verwijderde zones meeviel, maakte de ramp ook daar een blijvende indruk die nog verschillende generaties werd meegenomen. Dit blijkt onder andere uit een verhaal opgetekend kort na de Tweede Wereldoorlog van een oudere inwoonster van Onna. Haar ouderlijk huis lag tegen de hogere zandrug tussen Steenwijk en Havelte. Hoewel zij jaren na de ramp geboren moet zijn, wist zij dat het water destijds tot aan de vensterbank had gestaan. En bovenal, dit feit was één van de punten die zij het belang van het vertellen waard achtte.

Het lot van de familie Hülsmann

Door Albert J. Hulsman

Tijdens de watersnoodramp van 5 februari 1825 kwamen mijn betbetovergrootvader, zijn vrouw en hun dochter om.

Zij woonden aan de Middeldijk in Hattemerbroek alwaar zij vanuit Merzen Duitsland in 1805 zijn neergestreken als veenarbeiders.

In verschillende verslagen en archiefgegevens komt de familie Hülsmann/Hulsman voor. Op basis hiervan kon het volgende relaas opgesteld worden:

De hele winter van 1824/1825 was nat en stormachtig geweest. Al in november 1824 waren dijken doorgebroken of zwaar verzwakt. Sommige delen van IJsseldelta stonden vanaf november al onder water. Op 3 februari 1825 stak er opnieuw een storm op, het was springtij en wat duidelijk dat de situatie penibel was.

De dijkgraaf van dat gebied heeft overdag op 3 februari nog de toestand verkend in de regio Zwolle-Deventer. Hij schatte in dat het spannend zou worden, maar dat de dijken het wel zouden houden. Hij sloeg geen alarm en dat werd noodlottig voor velen waaronder ook de fam. Hülsmann.

Toen op 4 februari de dijken braken is het huis van Joannes Henricus Hülsmann weggespoeld en zijn hij en zijn vrouw en hun jongste dochter Maria Elisabeth verdronken in de watervloed.

De familie was nog gewaarschuwd door een zoon van de familie Duim uit de Voskuil die hen moest alarmeren voor het aankomende water. Het gezin Hülsmann zat echter aan de maaltijd en wilde eerst nog afeten. Het zoontje Duim kon met veel moeite door het al zuigende weiland terug naar huis komen.

Vermoedelijk moet men nog getracht hebben met een bootje weg te komen, maar is het bootje tegen een omgewaaide boom gekomen en daarbij omgeslagen.

Uit de archieven blijkt dat buurman Reindert Eskert op 6 februari 's morgens om 10 uur Joannes Henricus samen met diens vrouw heeft gevonden. Beiden zijn aangespoeld in de omgeving van Hattem. Dochter Maria Elisabeth is een dag later op 7 februari gevonden.

Twee volwassen zonen van de familie Hülsmann, Johann Friederich en Gerd Henrich, woonden niet meer thuis en hebben zich tijdens de ramp op heldhaftige wijze meerdere mensen gered. Beiden ontvingen later van de Gouverneur van de Provincie een beloning van 6 guldens voor het redden van mensen tijdens deze watervloed.

Laag Zuthem

Door Marije Keizer

Welke impact had de ramp op het gebied ten zuiden van Zwolle en welke maatregelen trof de eigenaar van landgoed Den Alerdinck? Lees het hier:  een zeedijk in Laag Zuthem 

Het ontstaan van de IJsseldelta

door Bert Kaptijn

Lees het hele verhaal op:  Het ontstaan van de IJsseldelta 

Drie schelvissen

Door Albert Greveling

In Zwartsluis zelf zijn nog maar enkele gevelstenen te bewonderen, maar zelfs in Amsterdam kun je Zwartsluis tegen een gevel tegenkomen. Kijkend op internet, bij 'gevelstenen zwartsluis' kreeg ik er maar 4 uit Zwartsluis op mijn scherm te zien. Bij één ervan, de drie schelvissen, staat al jarenlang: verdwenen… Begin februari 2023 kwam er een mailtje binnen bij cultureel centrum Sluuspoort gericht aan de Historische Vereniging Zwartsluis en Sluuspoort: "Is er belangstelling voor deze gevelsteen? " Wat een geluksmoment…! Op de meegestuurde foto's is een oude gevelsteen te zien met drie vissen. Hij is afkomstig uit de hal van visgroothandel Roskam & Klaver. Aan de bovenkant staat het jaartal 1764 én onder de drie horizontale schelvissen, niet helemaal duidelijk, maar volgens mij toch leesbaar: 1825!

Deze steen zat oorspronkelijk waarschijnlijk in de gevel van een huis aan het begin van het Buitenkwartier, aan de kolkzijde, vlak naast die doorbraakkolk, iets westelijk van het grote pand van Jakops, de directeur van de borstelfabriek en later de woning van Spiekman, de eigenaar van de scheepswerf, en nu van Van Benthem (de Vollenhoofse Poort). Al in 1702 komt de naam 'de drie schelvissen' voor in een akte. Een akte met de naam Herm Arends Kageman, aan de Nieuwe Dijk. Een dochter van deze Kageman trouwt met Jacob Draaijer en deze neemt de exploitatie over. In 1721 is Jacob Teunis Draaijer er de herbergier. Een dochter van Draaijer trouwt met Hendrik van Bruggen. Hendrik zijn tweede vrouw, Aaltje Verhoek laat het pand na aan haar erven. In 1786 koopt Gerrit Koops Huisman van de erven Hendrik Jans van Bruggen de voormalige tapperij 'de drie schelvissen' aan de kolk. Ook het schuin ertegenover liggende pand genaamd 'Het Casteel' aan de Nieuwe Dijk zit in deze koop. In 1784 is het pand van Johannes Hellenthal en zijn zoon Johannes is in 1832 nog eigenaar.

Boeiend, die 'Nieuwe dijk' zoals de plek wordt genoemd in 1702, want de stormramp die volgens velen de kolk veroorzaakte was in 1775/1776, en later, bij de stormramp van 1825, is de kolk weer vergroot en verdiept. Maar op de kaart van Blaeu uit 1649 staat ook al duidelijk een dijkdoorbraakgebied aangegeven, we zitten hier op een gevaarlijke Zwartewaterbocht. Zal de herberg het bij de stormramp 1775/1776 gered hebben? En is het bij de ramp van 1825 zó beschadigd dat herbouw en herplaatsing van de steen noodzakelijk was?

Maar zat de gevelsteen na de ramp nog wel in de gevel aan het begin Buitenkwartier? Even dromen...: de steen heeft heel lang gezeten in de onderwal van de Zwartewaterdijk, aan het Westeinde. Het water daar heet al heel lang 'de Whaa', vlak naast de Arembergersluis. Achter het pand van de Joodse familie Aronius, later groentewinkel Maandag, aan de Whaa-kant van het Westeinde. Achter het huis is een de kleine tuin, dan de loopplank naar de steiger in de Whaa, en daar rechts van, net boven de waterlijn, daar zat de gevelsteen tussen het puin van de beschoeiing (zie foto 2 hierboven). Nu met twee jaartallen: 1764 én 1825. Is de steen tussen het andere puin gezet, met het nieuwe jaartal, als herinnering aan die zware ramp? Dhr. Roskam van de visgroothandel heeft lang geleden aan Dhr. Maandag gevraagd of hij de steen uit de oever mocht halen, om in te metselen in de hal van het nieuwe bedrijfspand (mededeling Albert Maandag). En nu, bij de sloop van het bedrijfsgebouw van visgroothandel Roskam en Klaver, als voorbereiding op de komende nieuwbouw, heeft Harm Bonsink de steen in bruikleen aangeboden. De steen is dus nog niet verdwenen, gelukkig.

Geschreven met dank aan, en mét Alle Elbers. Albert Greveling, april 2024

Dijkdoorbraken Nieuwendijk

Door Toos Lodder

Ruimte voor de rivier: 1825 - 2017

Door Toos Lodder

Lees het hele verhaal op:  Ruimte voor de rivier 1825 - 2017 

Schokland - de slachtoffers

Door Anna van ’t Hul-Kroes  

De storm van 1825 nam het leven van 13 mensen wonende op Schokland. Hoe verraderlijk de natuur kan zijn, werd pijnlijk duidelijk toen de februaristorm het leven eiste van 1 man, 4 vrouwen en 8 kinderen op Schokland.  Allen verdronken op 4 februari 1825. Met dank aan Ab en Bruno Klappe weten we de namen van de slachtoffers. Ter nagedachtenis aan deze slachtoffers, zodat zij niet vergeten worden, zal op 4 februari 2025 de klok worden geluid op het nu ‘verlaten’ eiland Schokland. 

Wie waren deze mensen?  

Trijntje Louwe Diender, 25 jaar en gehuwd met Jan Willemsen Kok kwam samen met haar twee zoontjes Albert Jans Kok, 3 jaar oud en Willem Jans Kok, 1 jaar oud, om in de golven om 13:00 ’s middags op 4 februari 1825. Dit waren hun enige twee kinderen en Jan Willemsen bleef dus alleen achter. Op 14 februari 1830 hertrouwde hij en kreeg met zijn nieuwe vrouw nog zeven kinderen.  

Jacobje Hendriks Kok, een nichtje van Albert en Willem was 13 jaar oud toen zij in dezelfde storm verdronk. Vader, moeder en nog drie andere kinderen ontsnapten aan de verdrinkingsdood. 

Klaasje Jans Joost, 43 jaar oud, verdronk samen met haar zoon Lucas Mastenbroek die op dat moment 12 jaar oud was. Haar man, Pieter Jacobs Mastenbroek die de storm overleefde, verloor zijn eerste vrouw in 1808. Hij hertrouwde met Klaasje en kreeg een zoon die voor zijn eerste levensjaar overleed. Nu moest hij ook zijn tweede zoon en vrouw naar het graf dragen. Hij hertrouwde voor de derde keer op 15 september 1825 met Elisabeth Willems Bruins met wie hij twee kinderen kreeg, Lucas en Willem.  

Willem Bruins Bape verloor zijn vrouw, Jacoba Cornelissen Grootjes, 39 jaar, en vier van hun vijf jonge kinderen, Eva Willems Bape 8 jaar, Louwe Willems Bape 5 jaar, Jannetje Willems Bape 3 jaar en Lijsje Willems Bape die 11 maanden oud werd. De 9-jarige Maria Willems Bape werd gered en overleefde samen met haar vader de stormramp.  

Ook Bernardus van Kleef, 52 jaar en zijn vrouw, Geertruij Ulrich, 55 jaar, overleefden de watersnoodramp niet. Geertruij was vroedvrouw op Schokland. Ze hadden meerdere kinderen, maar alleen hun oudste zoon Martinus van Kleef woonde op dat moment bij hen op Schokland. Martinus overleefde de storm, trouwde op 23 december 1825 met Aleida Derks Net. Martinus en hun twee oudste kinderen overleden echter ten gevolge van de cholera-epidemie in 1832 die toen op Schokland heerste.  

Niet meegeteld in het aantal, maar wel overleden als gevolg van de ramp is Johannes de Wit, schoolmeester en 47 jaar oud. Johannes was zo ernstig gewond geraakt door de storm dat hij er niet meer bovenop kwam en enkele maanden na de ramp alsnog overleed. 

Gebruikte bronnen:  

  • Klappe B, 2013, Verhalen van Schokland, de lotgevallen van een eilandbevolking, Eindhoven. 
  • Klappe A, 1993, Wie waren de 13 slachtoffers van de stormramp van 1825?, Het schokker erf 24, 11 -13. 

Het familieverhaal van Immy Prins-Mars

Lees het familieverhaal van Immy Prins-Mars over de tocht van baby Jan Meulman en zijn moeder:  Jan Meulman 

Schipper Wolters

Door Peter Laarakker

Lees hoe schipper Wolter Wolters op 4 februari trouwde om na het huwelijkfeest met bijna alle gasten op zijn schuit te stappen om mensen van daken te redden:  Schipper Wolters 

Het verhaal van Willempje Lammerts Veldkamp

Door Dirk Haasjes

Tijdens het zoeken naar de impact van de ramp op de inwoners van Heerde en Wapenveld kwam ik dit bijzondere verhaal tegen van de familie van Hattem uit Heerde/Doornspijk. We volgen het leven van Willempje Lammerts Veldkamp afkomstig uit Wapenveld in de gemeente Heerde en de enige van haar gezin die de ramp overleefde.

Willempje Lammerts Veldkamp

Willempje Lammerts Veldkamp. Klik om uit te vouwen.

Willempje Lammerts Veldkamp wordt op 3 december 1792 geboren in Wapenveld in de gemeente Heerde. Als zij 29 jaar oud is werkt ze als dienstmaagd en trouwt volgens de akte nr 9 van 25 mei 1822 in Doornspijk met Bartelt Willem van Hattem, geboren te Oosterwolde, een daglooner van 33 jaar.

Twee onbereikbare huizen

Twee onbereikbare huizen. Klik om uit te vouwen.

Helaas heeft de stormvloed van 1825 desastreuze gevolgen voor dit jonge gezin. J.C. Beijer beschrijft in zijn ‘Gedenkboek van Nederlands Watersnood in 1825’ de volgende passage:

Aangespoeld

Aangespoeld. Klik om uit te vouwen.

En moeder Willempje Veldkamp dan? Beijer vertelt verder: [...] twee vrouwen en twee kinderen, zijnde de vrouw en kinderen van R. PLENDER , benevens de vrouw van B. HATTEM; die haren man en twee kinderen , benevens eene oude moeder voor hare oogen had zien verdrinken, op een zeer klein gedeelte van eenen hooiberg waren weggedreven, en den 5 februarij op eenen afstand van bijna 4 uren gaans , in de nabijheid van Hattem, met dit hun zonderling vaartuig behouden aankwamen.

Een edelmoedigen en menschlievende daad

Een edelmoedigen en menschlievende daad. Klik om uit te vouwen.

In het archief van de gemeente Oldebroek zijn concept-getuigschriften opgenomen voor een aantal heren die reddingspogingen hebben uitgevoerd tijdens de storm en de dagen direct erna. Willempje en Elizabeth zijn van de hooiberg gered door Dirk van der Scheer en anderen. Van der Scheer heeft een getuigschrift ontvangen op 31 januari 1826. Daarin wordt gewag gemaakt van deze heldendaad.

Dakloos

Dakloos. Klik om uit te vouwen.

Willempje Veldkamp overleeft de ramp, maar is dakloos. Waar is ze heen gegaan? We weten het niet. Er zijn echter verschillende aanwijzingen dat ze tijdelijk bij haar broer Jan Lammers Veldkamp in Markluijden is ingetrokken.

Markluijden - Weteringsdijk 20

Markluijden - Weteringsdijk 20. Klik om uit te vouwen.

Willempje trekt na de ramp waarschijnlijk bij haar broer Jan in Markluijden in. Op basis van de kadastrale gegevens uit 1811-1832 weten we dat Jan Lammerts Veldkamp woonde in een boerderij aan wat nu de Weteringsdijk nr. 20 is (HisGIS).

Bartelt van Hattem

Bartelt van Hattem. Klik om uit te vouwen.

Pas op 21 maart wordt het lijk van Bartelt van Hattem gevonden. Hij wordt gevonden in de buurt van het huis van Roelof Plender in Oosterwolde.

De twee meisjes

De twee meisjes. Klik om uit te vouwen.

Op 28 maart 1825, bijna 8 weken na de ramp, werd Hendrikje volgens het proces-verbaal van schouw samen met Albertje Plender, 10 jaar oud, gevonden nabij de Gelderse Gracht in het kerspel Oosterwolde. Ze werd drie jaar.

6 september 1825 - Doornspijk

6 september 1825 - Doornspijk. Klik om uit te vouwen.

Dan is er nog één akte: op 6 september wordt in Doornspijk de geboorte aangegeven van Lambertus van Hattem. Willempje was tijdens de ramp dus twee maanden zwanger.

Terug naar het Noorderrot

Terug naar het Noorderrot. Klik om uit te vouwen.

In het streekarchief van Elburg over de afwerking van de schade komen we de vermelde families van Hattem en Plender weer tegen.[1] Zij woonden in 1825 op Noorderrot 86 (Van Hattem) en 84 (Plender). Dat is het huidige Noordeinde ofwel Kamper Nieuwstad, zoals blijkt uit de schadelijsten van de Commissie Zeevloed. Elk getroffen gezin kon schade opgeven bij deze commissie na de zeevloed van februari 1825. Om de hulp goed te coördineren werd taxatie en vergoeding van schade bij deze commissie belegd. Het archief voor deze regio is in het kader van project 1825, de vergeten ramp gedigitaliseerd.

Willempje Lammerts Veldkamp

Willempje Lammerts Veldkamp wordt op 3 december 1792 geboren in Wapenveld in de gemeente Heerde. Als zij 29 jaar oud is werkt ze als dienstmaagd en trouwt volgens de akte nr 9 van 25 mei 1822 in Doornspijk met Bartelt Willem van Hattem, geboren te Oosterwolde, een daglooner van 33 jaar.

Na hun huwelijk vestigen ze zich in Oosterwolde en zijn geregistreerd als landbouwers. Ze kregen twee kinderen. Hendrikje, geboren op 13 april, dus voor het huwelijk, wordt bij het huwelijk erkend en Willem, geboren in 1824, beiden in Doornspijk. Het gezin woonde in Oosterwolde op het Noorderrot 86, het huidige Noordeinde. Naast hen woont de familie Plender op nummer 84.

Twee onbereikbare huizen

Helaas heeft de stormvloed van 1825 desastreuze gevolgen voor dit jonge gezin. J.C. Beijer beschrijft in zijn ‘Gedenkboek van Nederlands Watersnood in 1825’ de volgende passage:

Uit al de huizen in deze buurtschap werden de menschen achtervolgens gered, twee huizen alleen uitgezonderd, welke men, volgens de verklaring der zeelieden onmogelijk had kunnen naderen, en welker bewoners men dus aan hun noodlot had moeten overlaten, die dan ook zoo als later bleek hun graf in de golven hebben gevonden, zijnde twee manspersonen, eene vrouw en drie kinderen.

Vader Bartelt, dochter Hendrikje van die jaar oud, zoontje Willem van zes maanden en oma komen allemaal om in de stormvloed. Willem wordt al relatief kort na de ramp, nl. op 12 februari, in Heerde als overleden aangegeven. Er staat niet in de akte dat hij verdronken is alleen “de watervloed overleden”. Hij werd mogelijk in Heerde begraven. Maar waarom zijn vader Barteld en Hendrikje niet op hetzelfde moment aangegeven? En hoe heeft Willempje de ramp als enige overleefd?

Aangespoeld

En moeder Willempje Veldkamp dan? Beijer vertelt verder: [...] twee vrouwen en twee kinderen, zijnde de vrouw en kinderen van R. PLENDER , benevens de vrouw van B. HATTEM; die haren man en twee kinderen , benevens eene oude moeder voor hare oogen had zien verdrinken, op een zeer klein gedeelte van eenen hooiberg waren weggedreven, en den 5 februarij op eenen afstand van bijna 4 uren gaans , in de nabijheid van Hattem, met dit hun zonderling vaartuig behouden aankwamen.

Willempje zag dus haar man, moeder en dochtertje voor haar ogen verdrinken, maar wist te overleven! Samen met Elisabeth, de vrouw van dezelfde Roelof Plender, en twee kinderen spoelde zij aan op een gedeelte van een hooiberg aan in de Voskuil in de gemeente Hattem. Ze had toen haar zoontje Willem nog in de armen, de baby was echter al overleden. We lezen verder op bladzijde 554 van Beijers verslag:

Aldaar waren op de kap van eenen hooiberg aangedreven en met moeite en gevaar gered, twee vrouwen, de eene van ROELOF PLENDER én de andere van zekeren BARTEVELD van de Gelderfche Gracht; de eerfte met een levend, de andere met een dood kind in den arm.

Er is duidelijk enige twijfel over de naam Barteveld. Kan dit Willempje Veldkamp zijn vrouw van Barteld, met de baby Willem van 6 maanden in de armen?

Er zijn in deze regio geen andere vrouwen met kinderen op hooibergen aan komen drijven, dus de kans dat dit Willempje en Willem zijn lijkt groot.

Willempje en Elisabeth Plender spoelen aan in Voskuil ten noordoosten van Hattem. Het verslag vermeldt dat de afstand die zij dreven 5 uur gaans was, van het Noordeinde over Wittenstein naar de Voskuil.

In de archieven over de zeevloed komen we ook de namen van een paar redders tegen. In een uitgebreid ooggetuigenverslag van Dirk van der Scheer kunnen we lezen hoe de dames van Hattem en Plender door hem gered zijn. Hij kreeg daarvoor een getuigschrift in 1827 (Noord Veluws Archief: Inv. Nr. 656   https://proxy.archieven.nl/434/E155DEC23BA043C1916B85221CBF290F .

Een edelmoedigen en menschlievende daad

In het archief van de gemeente Oldebroek zijn  concept-getuigschriften  opgenomen voor een aantal heren die reddingspogingen hebben uitgevoerd tijdens de storm en de dagen direct erna. Willempje en Elizabeth zijn van de hooiberg gered door Dirk van der Scheer en anderen. Van der Scheer heeft een getuigschrift ontvangen op 31 januari 1826. Daarin wordt gewag gemaakt van deze heldendaad.

We lezen daarin het volgende:

De Burgemeester van Oldebroek. Op speciale authorisatie van den Heer Gouverneur der Provincie Gelderland, dankbaar willende verlenende van de edelmoedigen en menschlievende daad van 

Dirk van der Scheer

Bij de gelegenheid der noodlottigen Storm en Watervloed van February 1825 toen hij op den 6e dier maand, door het diep en snel stromende water langs een onzichtbare weg met Frans Gunnink van Wesep naar buurschap Voskuil is doorgedrongen, alwaar hoorende schreeuwen en kermen , bij of in een aldaar gelegen Bosch, en op het geroep van Gerrit Puttenstein, insgelijks met eenen schuit zig bevindende ter andere zijde van de Bosch, doch buiten staat dezelve vandaar te redden, dat daar menschen op een hooijschelf waren aangedreven, zover mogelijk gekomen en vervolgens in het Bosch gesprongen zijnde, die ongelukkigen met Frans Gunnink genadert is, en bevonden heeft dat twee vrouwen (en volgens haare nadere verklaring met een hooiberg van het Noordeinde van Oosterwolde, waarin zij bij het vernielen van harer woning, ieder met een kind, het leven hebben getracht te behouden op den 4e te voren waren weggedreven tot Wittenstein, aldaar in eene allee waren vastgeraakt, en vervolgens vanwege het losgaan van het hooij en het nedervallen van den bergkap, met haare kinderen door die kap waren gebroken en bovenop dezelve zich vasthoudende, tot daar waren gedreven, daarop in de afgelopen nacht een stuk van een hooijschelf tot digt bij die bergkap zijn aangedreven en zig aldaar vastgezet hebbende langs een stuk hout van die bergkap op die hooijschelf waren geklommen, terwijl een der kinderen in het water gevallen en verongelukt was, zonder dat zij daaraan eenige hulp hadden kunnen toebrengen; gelijk ook een kist met klederen, het eenige wat zij hadden kunnen meedenemen, door het Berghooi geschoten in den vloed verzonken was). Dat deze twee vrouwen Willempje Veldkamp vrouw van Barteld van Hattem, dewelke haar man voor hare ogen. terwijl zij met de Bergkap wegdreven, van eenen boom waaraan hij zich vasthield, door de golven losgerukt, had zien verdrinken; de andere de vrouw van Roelof Plender van Oosterwolde, zich nog op eene kleine hooijschelf aldaar bevonden en in het grootste gevaar waren van om te komen toen hij van der Scheer geholpen door Frans Gunnink, Dries van Ommen en Gerrit Puttenstein, deselve vrouwen nevens een kind van acht jaren van dat stuk hooij afrukken in zijn schuit overbragt toen zijlieden, daarna in de diepte des waters met kragt de Bergkap opligten en het vermiste kind van onder dat gevaarte ophaalden, waaraan zij geene tekenen van leven meer bespeuren konden en hebbende teruggegeven in die staat aan de moeder, en met de drie geredde personen naar Wezep gevaren zijn en daarna ook de kist met klederen van onder het water hebben opgetrokken en insgelijks naar Wezep overgebracht en aan Willempje Veldkamp overgegeven hebben. 

En van deze zijne erkentenis een blijk willende te geven. Schenkt aan Dirk van der Scheer

dit getuigschrift benevens twee gouden muntstukken ter waarde van 10 gulden ieder als eene regtmatigen hulde aan zijne betoonde menschlievendheid, met den wensch dat hij in zijn hart de streelendste en bij God de zaligste goedkeuring ervaren moge.

De Burgemeester voornoemd. Oldebroek den 31 jan. 1926.

Voor meer informatie over dit getuigschrift en de watersnoodramp in het Gelderse Zuiderzeegebied zie het project ' 1825 Een vergeten ramp ' van het Noord-Veluws Archief (NoVA). Het getuigschrijft van Dirk van der Scheer en de lotgevallen van Willempje Veldkamp zijn onderdeel van een fietstocht die in het voorjaar van 2025 zal verschijnen samengesteld door het  Noord-Veluws Archief  en het  Stadsarchief Kampen .

Dakloos

Willempje Veldkamp overleeft de ramp, maar is dakloos. Waar is ze heen gegaan? We weten het niet. Er zijn echter verschillende aanwijzingen dat ze tijdelijk bij haar broer Jan Lammers Veldkamp in Markluijden is ingetrokken.

Baby Willem wordt nl. in de gemeente Heerde, waar Markluijden onder valt, aangegeven. Hij staat geregistreerd als Willem van Hattem, oud 6 maanden, geboren te Doornspijk, zoon van Bartelt Willems van Hattem en Willempje Lamberts Veldkamp, aangegeven op vier februari 1825 in de namiddag om vijf uren, 'de watervloed overleden'. In de akte is de standaard formulering “binnen de gemeente” doorgestreept.

Maanden later, op 19 augustus 1825, wordt voor de memorie van Successie in Hattem aangifte gedaan van het overlijden van Bartelt Willems van Hattem, 6 maanden oud, overleden door de watersnood te Oosterwolde (Elburg), wonende te Markluijden, gemeente Heerde (Invnr:  14 ,  Folio: 40). Het is onduidelijk of hier vader of zoon wordt bedoeld, maar duidelijk is dat er sprake is van Markuijden als woonplaats, terwijl zowel vader als zoon in Oosterwolde woonden.

Uit het kadastrale archief (HisGIS) kunnen we opmaken dat de broer van Willempje Veldkamp, Jan Lammerts Veldkamp, in Markluijden aan de Weteringdijk woont: (Heerde -G95). Het verklaart waarom zoontje Willem in Heerde werd aangegeven. De moeder is naar haar familie in Markluijden uitgeweken met de overleden baby.

Markluijden - Weteringsdijk 20

Willempje trekt na de ramp waarschijnlijk bij haar broer Jan in Markluijden in. Op basis van de kadastrale gegevens uit 1811-1832 weten we dat Jan Lammerts Veldkamp woonde in een boerderij aan wat nu de Weteringsdijk nr. 20 is ( HisGIS ).

Enige jaren geleden zijn op het erf en in de wetering voor het huis archeologische vondsten gedaan. Aardewerk uit o.a. de 18e en 19e eeuw is aangetroffen (zie foto's hierboven). De borden, kopjes en schalen die hierbij zijn gevonden heeft Willempje ongetwijfeld gebruikt in de maanden dat zij hier bij haar broer logeerde.

NB: klik op de pijljes aan de zijkant van de foto hierboven om alle afbeeldingen te zien.

Bartelt van Hattem

Pas op 21 maart wordt het lijk van Bartelt van Hattem gevonden. Hij wordt gevonden in de buurt van het huis van Roelof Plender in Oosterwolde.

De twee meisjes

Op 28 maart 1825, bijna 8 weken na de ramp, werd Hendrikje volgens het proces-verbaal van schouw samen met Albertje Plender, 10 jaar oud, gevonden nabij de Gelderse Gracht in het kerspel Oosterwolde. Ze werd drie jaar.

6 september 1825 - Doornspijk

Dan is er nog één akte: op 6 september wordt in Doornspijk de geboorte aangegeven van Lambertus van Hattem. Willempje was tijdens de ramp dus twee maanden zwanger.

Ook Elisabeth Plender, haar buurvrouw en metgezel op de hooiberg, blijkt ten tijde van de ramp zwanger te zijn geweest. Dochter Albertje wordt later in het jaar 1825 geboren.

Terug naar het Noorderrot

In het streekarchief van Elburg over de afwerking van de schade komen we de vermelde families van Hattem en Plender weer tegen. [1]  Zij woonden in 1825 op Noorderrot 86 (Van Hattem) en 84 (Plender). Dat is het huidige Noordeinde ofwel Kamper Nieuwstad, zoals blijkt uit de schadelijsten van de Commissie Zeevloed. Elk getroffen gezin kon schade opgeven bij deze commissie na de zeevloed van februari 1825. Om de hulp goed te coördineren werd taxatie en vergoeding van schade bij deze commissie belegd. Het archief voor deze regio is in het kader van project  1825, de vergeten ramp  gedigitaliseerd.

In de schadelijsten lezen we bij de wed. B. van Hattem, Noorderrot 86, dat de zij de volgende schade had:

  • 1 paard en 5 runderen,
  • huisraad fl. 100,-
  • eten fl. 20,-
  • stalvoedsel fl. 160,-
  • gereedschap fl. 20,-
  • voorwerpen fl. 151,-

In totaal wordt fl. 1007,- aan Willempje uitgekeerd. Roelof Plender ontvangt een vergelijkbaar bedrag, namelijk fl. 900,- plus fl. 110,- aan voorwerpen.

In de volkstelling van 1830 woont Willempje (inmiddels Knol geheten) op hetzelfde nummer 86. Naast zoon Lambertus geboren in 1825 komen we haar nieuwe man Gerrit Knol en dochtertje Hendrikje Knol, geboren in 1830, tegen. De buren zijn nog steeds de familie Plender met Elisabeth Jans en baby Albertje met wie Willempje op de hooiberg heeft rondgedreven.

Willempje zal nog een tweede keer haar man verliezen en ook weer opnieuw trouwen voordat zij in 27 juni 1854 op 61-jarige leeftijd overlijdt. In de akte wordt vermeld dat zij dagloonster is en inmiddels de echtgenote van Harmen Gerrit Westerveld.

Zo eindigt dan het verhaal van het bewogen leven van Willempje Lammerts Veldkamp.

 [1]  Streekarchief te Elburg  toegang 1015  Commissie Zeevloed 1825, 1825-1828 nr. 44 Lijsten van beschadigde huizen te Doornspijk en Oosterwolde en een lijst van eigenaren met beschadigde huizen in het Schoutambt Oldebroek en de gemeente Hattem, 1825-1826. 1- folio 7

 

De overstroming van Schokland

Door Anna van 't Hul - Kroes

Reijer keek door het zolderraam de duisternis in. Opeens zag hij een monstergolf op zich afkomen; een muur van water die recht op hun huis afkwam. Even sloot de huizenhoge golf hun huis volledig in en werd het pikdonker, een paar seconden later sloeg de golf op het dak en het zolderraam uiteen. Van schrik sprong Reijer achteruit. Op sommige plaatsen begon het dak te lekken. Enkele ogenblikken leek het huis te wankelen, daarna klonk vanuit de kamer beneden het geluid van knappende ramen en hoorde hij het water door de ramen de kamer binnenstromen. 1   

Het verhaal van Reijer is fictief, maar op die bewuste dag in februari zagen de schokkers het water stijgen tot grote hoogte. Op 3 februari 1825 begon het water te stijgen. Er ontstond een storm die samenviel met springtij en hoge rivierafvoeren die aanwakkerde tot orkaankracht. 's Avonds was de stand van het water tot 8,5 voet gestegen (2,5 meter hoger dan normaal). De volgende ochtend rees het nog eens 2 voet (tot meer dan 3 meter) waardoor het hele eiland onder water verdween. Elf uur 's avonds bereikte het een stand van 3,2945 el boven de dagelijkse vloed. 2  De schokkers waren wel wat gewend, maar moesten naar hun zolders vluchten. Nog nooit was het hele eiland onder water verdwenen. Nu wel. Nog nooit kwamen er mensen om het leven tijdens een storm op Schokland. Nu wel. 3   

De zeewering van het voormalige eiland

De storm had grote impact op het leven van de schokkers. Verschillende inwoners verloren dierbaren. Dokter Marinus van Kleef bevond zich met zijn ouders op zolder. Zijn ouders raakten door het omvallen van de schoorsteen in het water en verdronken voor zijn ogen. De dokter zelf rende naar beneden en werd door een golf tegen een muur gesmeten en kwam terecht op een zolder waar meerdere mensen hun schuilplaats hadden. Dokter van Kleef overleefde de storm.  

Piet Mastenbroek klom met zijn vrouw en kind op een drijvend dak waar nog een man met vrouw en drie kinderen zaten. Vanuit een schip werd een touw toegeworpen. De twee mannen werden gered. De rest kwam om. 4  Een ander verslag luidt dat Piet zich met vrouw en kinderen aan uitstekende latten van een rieten dak vastklampte. Een poging hen daaraf te halen mislukte. Op het moment dat Piet een lijst wist te grijpen, kantelde het dak en raakte iedereen te water waarna alleen de man werd gered.  

Meer gelukkig was Jannes Ruiten. Hij zat met zijn vrouw en twaalf anderen bij elkaar op de zolder van zijn eigen woning die op instorten stond. Jannes maakte een gat in de voorgevel om naar buiten te komen, maar het water was te diep. Ze wisten vervolgens van vier aandrijvende palen een vlot te maken. Deze bleken echter te glad. Vervolgens wierp een golf hen een grote tobbe toe die ze vastbonden op de palen. Daar konden ze in. Nadat de laatste persoon in de tobbe was gestapt, stortte het huis in. Mensen hielpen elkaar en bootjes werden ingezet om mensen te redden. Toch waren de verliezen groot. 13 mensen kwamen om. Bernardus van Kleef met zijn vrouw, Geertje Ulrich. Trijntje Lauwen Diender (vrouw van Jan Willems Kok) met haar kinderen, Albert en Willem. Ook een nichtje van Albert en Willem, Jacobje Kok kwam in de golven om. Tot slot Jacoba Cornelissen Grootjen, vrouw van Willem Bruins Bape met haar kinderen, Eva, Louwe, Jannetje en Lijsje en Klaasje Jans Joost en Lucas, vrouw en zoon van Piet Mastenbroek overleefden de storm niet.  

Middeleeuwse kerkruïne van de Oude Kerk van Ens, op de zuidpunt van Schokland (afgebroken rond 1820)

Ook op andere gebieden waren de gevolgen groot. 17 runderen, 1 paard en 16 schapen verdronken. 26 huizen werden in zijn geheel weggespoeld. 86 huizen zwaar beschadigd of onbewoonbaar. 600 schokkers werden dakloos. In de katholieke kerk steeg het water tot 1,4 meter, muren werden weggeslagen en altaar en banken mee de zee in gesleurd. Ook de gereformeerde kerk had het zwaar te verduren. De vuurtoren op het eiland werd verwoest. De palen van de zeewering van Schokland werden door de storm heinde en ver meegenomen en veroorzaakten grote schade. Zo werd bijvoorbeeld het huis van Klaas Egberts in Zwollerkerspel (Mastenbroek) verbrijzeld door de palen. Ook vissersschuiten spoelden weg en werden soms door en over de dijken op het vasteland geworpen. 7  

De inwoners van Schokland waren gewend om te leven met water. Ontberingen waren hen niet vreemd. Maar de storm van 1825 kwam met zoveel kracht dat ook zij geen antwoord hadden tegen dit geweld. Na de rampnacht kwamen er liefdadigheidsacties op gang. Koning Willem I schreef een nationale collecte uit en gaf een royale gift van 100.000 gulden aan Schokland. Ook het provinciale bestuur stelde een bedrag beschikbaar. Het geld werd gebruikt voor de ergste nood en direct levensonderhoud. 8  Maar ook voor het opbouwen van een deel van de huizen en de kerken. Voor herstel van de paalwerken werden honderden palen opgevist uit de wijde omgeving en naar Schokland teruggebracht. 9  Toch werd het leven op Schokland niet helemaal meer hetzelfde en zouden ze nooit helemaal herstellen van de ramp. Er heerste armoede en het leven was moeilijk. Hoewel de storm niet de reden was, zullen de gevolgen ervan hebben meegespeeld in de uiteindelijke ontruiming van Schokland in 1859. 

Hoogwaterkanon bij Musuem Schokland. Oorspronkelijk stond dit kanon op de zeedijk bij Vollenhove, maar werd in de jaren 1940 geschonken aan de directie van de Wieringermeer (Noordoostpolderwerken).

Waar vroeger vissershutten stonden.  Dicht aan elkaar, klein en kompres,  Daar ging het leven op reces  En wordt geen woning meer gevonden 

 Stormwind die aan de luiken wrikte  Deed kind’ren beven in hun bed;  Knallende schoten leken het  Als kruiend ijs het volk verschrikte 

Toen het geweld van wind en stormen  Het bijna weerloos hoopje sloeg  En ’t water in de huizen joeg  Zijn vee en mensen omgekomen. 

Nu wijst nog de verhoging aan,  Waar ’t alles is voorbijgegaan. 10  

(Tromp de Vries, Urk.) 

Noten:  1  Nuyens 2015, 124.  2  Van Hezel, Pol 2008, 116 – 117.  3  Vriend 2024, 120.  4  Ter Pelkwijk 2002, 55.  5  Bouman 1993,  6  Klappe 2013, pag 111.  7  Van Hezel, Pol 2008, 116 – 117.  8  Van Hezel, Pol, 2008, 120.  9  Klappe, Veer, 2009, 17.  10  Klappe, 1991, 39.

Literatuurlijst 

  • Bouman P.J, 1993, Een februaristorm, Het schokker erf 24, 2 -10. 
  • Klappe B, 2013, Verhalen van Schokland, de lotgevallen van een eilandbevolking, Eindhoven. 
  • Klappe B, Veer W. 2009, Schokland verlaten, een reconstructie van de ontvolking in 1859, Deventer. 
  • Klappe B. 1991, De Zuidert, Het schokker erf 17, 39. 
  • Nuyens A. 2015, Nooit meer terug, over de tragische ondergang van Schokland, Amsterdam. 
  • Ter Pelkwijk J. 2002, Overijssels watersnood. Een heruitgave van het verslag van de ramp van 1825, Kampen. 
  • Van Hezel G, Pol A. 2008, Leven met water, Schokland en omgeving, Utrecht. 
  • Vriend, E. 2024, Het eiland van Anna, Schokland en de geschiedenis van een thuis, Amsterdam. 

Jan Meulman: het familieverhaal van Immy Prins-Mars

Opgetekend door Liesbeth Hermans

Immy (1931-2025) woont al jaren in alle tevredenheid met haar dochter op Gelderingen in Steenwijkerwold. Ze heeft hier haar hele leven gewoond. Uit familieoverlevering kan ze nog vertellen over de watersnoodramp van 1825.

"In mijn familie doet nog een verhaal de rondte over de stormramp van 1825. Mijn moeder vertelde dat altijd aan mij en zij had het weer van haar oma. Het is een verhaal dat telkens is doorverteld. Wat er van waar is? Dat weet ik niet. Het is dus het verhaal van mijn betovergrootmoeder, ze heette Ymkje Zijlstra.  

In 1825 leefde zij in Echten, bij Langelille, aan het water.  Ze hadden er een klein boerderijtje of zo. Toen kwam de storm, en de moeder was alleen met het kindje. In de familie wordt niks verteld over de vader. Het kindje heette Jan Meulman, dus dat zal de naam van de vader geweest zijn. De zeedijk tussen Kuinre en Blokzijl en Blankenham brak door, het water stroomde zo het land binnen.  

Toen het water kwam, bond zij haar kleine zoontje Jan van nog geen zes maanden oud in zo’n half schort met de banden voor zich op haar buik.  Samen zijn ze in een wankel bootje gaan dobberen. Ze had geen peddels en het was een gammel bootje. Waarheen ze ging? Met de wind mee, dat wist ze. Ze zou het wel zien waar ze terecht kwam. Hoe lang hebben ze zo gedobberd in de koude? De storm blies volle kracht uit het noorden en daar dreven ze op een enorme watervlakte met hoge golven. Dat moet ontzettend eng geweest zijn, zeker als het donker was. Ze moest zich goed vasthouden aan de zijkanten, want het bootje schommelde vreselijk. Het kindje zat stevig vast voor op haar buik. Onderweg zag ze allemaal drijvende lijken, van mensen en van koeien. Het was ontzettend vreselijk, eng, koud. Allemaal water zover je kon kijken.   

Hoe lang ze dat hebben volgehouden? Geen idee, maar lang genoeg om te overleven.  Want ze spoelden aan land bij het Mallegat van Oldemarkt.  Ze gingen met de wind mee, hemelsbreed is dat niet zo ver hoor van Echten naar Oldemarkt, dat zal hooguit 15 kilometer zijn.  Daar zijn ze gaan wonen, en daar zijn ze hun hele leven gebleven.  

De tocht die Jan en zijn moeder Ymkje in de stormnacht van 4 op 5 ferbuari 1825 in hun bootje hebben afgelegd (een tocht van hemelsbreed zo'n 12,5 km)

Dat kleine jochie uit het bootje was vaak ziek en zwak. En zijn moeder dacht dat het kwam doordat hij het zo koud had gehad. Natuurlijk was de familie dan bezorgd om hem, misschien wel een beetje te veel. 

Hij moest als grote kerel zijn baard laten staan, een grote baard. Lekker veel haar rondom. In de familie zegt men dat het beter was om zijn hoofd warm te houden. Want hij moest het niet koud krijgen, dat had hij al genoeg gehad in de stormvloed. Jan is pas overleden op zondag 20 maart 1904, dus hij is best oud geworden."

In de archieven is de geboorteakte van Jan Meulman terug te vinden. Hij is geboren op 19 oktober in Echten. Zijn vader was Harmen Hendrik Meulman en zijn moeder Ymkjen Jans Zijlstra. Vader Harmen Hendrik sterft op 13 oktober 1826 in Echten. Hij was turfmaker van beroep en is slechts 40 jaar geworden.

Het is onduidelijk wat er met moeder Ymkjen Jans Zijlstra is gebeurd. Zij is niet in de archieven te vinden.

Jan trouwt op op 30 mei 1856 in Oldemarkt met Catharina Timmerman. Zij is 28 jaar, werkt als dienstmeid en is net als hij geboren in Echten. Op 3 januari 1859 wordt in Oldemarkt hun dochter Aafje geboren en op 6 januari 1867 dochter Johanna.

Jan sterft uiteindelijk op hoge leeftijd, hij is 79 jaar geworden, in 1904 in Oldemarkt. Zijn vrouw overleeft hem nog vijf jaar.


Schipper Wolter Wolters en zijn bruiloftsgasten 

Door Peter Laarakker

Het verslag van J. ter Pelkwijk over de watersnood in Dalfsen begint met de constatering dat op vrijdag 4 februari 1825 rond 5 uur ’s middags het water bij de Broekhuizen (bij de huidige stuw Vechterweerd, in het westen van de gemeente) snel omhoog kwam. Vier kilometer naar het oosten in het dorp Dalfsen was er op dat moment niks aan de hand. Het Vechtwater stond wel hoog, maar daar was men aan gewend, alarm was er nog niet.  

Er was zelfs feest! Om 6 uur ’s middags trouwden de 23-jarige Dalfser schipper Wolter Wolters met schippersdochter Janna Schuttevaar, 26 jaar. Ze woonden vlak bij elkaar in Dalfsen, zij aan de Kaai, hij bij de dijk op de hoek van de (huidige) Vechtstraat. Het huwelijk werd voltrokken door de Schout F.C. Mulert, in het bijzijn van ouders en de getuigen Mannes Wolters, broer van de bruidegom, Harm Schuttevaar, broer van de bruid en Jannes Jansen. Allemaal schippers.  

Figuur 1. Handtekeningen onder de trouwakte van 4 februari 1825 1  

Dalfsen had toen nog geen gemeentehuis, de gemeente huurde een paar kamers in het dorp voor zijn activiteiten en archief. Waar het huwelijk werd gesloten is dus niet zeker. Herberg De Ruiter 2 , het eerste pand aan de Prinsenstraat bij het veer, is een goede kandidaat. Die werd toen gerund door de herbergierster Arnolda Volkers, weduwe van Jochem van der Kolk. Daar werden ook vaak veilingen gehouden. 3  We weten ook niet hoe de avond verder verliep. Was er een feest? Hoe lang duurde dat? Janna was hoogzwanger dus zal het niet heel laat gemaakt hebben. Maar de rest? 

Figuur 2. De woningen van bruid en bruidegom en de Herberg de Ruiter, ondergrond Minuutplan Dalfsen K4.  

 Wat we wel weten uit het verslag van Ter Pelkwijk is dat er om 12 ’s nachts in het dorp alarm werd geslagen en dat de Schout om 2 uur een aantal schepen de Vecht afstuurde om mensen en vee te gaan redden. Men veronderstelde een dijkdoorbraak nabij Broekhuizen omdat het water zo snel omhoog kwam. De schepen kregen de opdracht door die dijkdoorbraak het binnenland in te varen.   

Omdat de schippers en de bemanning later een vergoeding kregen en die lijstjes in de Dalfser archieven 200 jaar bewaard zijn gebleven, kunnen de uitgevaren schippers uit de anonimiteit gehaald worden. 5  Een document begint: “In dienst geweest tot Redding van menschen en vee in nood en gevaar door den verschrikkelijke watervloed van den 4 & 5 feb. 1825” en somt vervolgens de bemanningen van drie schepen op. In de lijst vinden we de bruidegom Wolter Wolters en de getuigen bij zijn huwelijk terug.  

 Met de Stamboom van Dalfsen 6  kunnen de familierelaties eenvoudig in kaart gebracht. Op de schepen vinden we veel broers, neven en zwagers. Het was een bekend fenomeen in de schipperswereld, schippers trouwden met schippersdochters, je moest het leven kennen voor een succesvolle relatie. 

Figuur 3. De bemanning van de 3 uitgevaren schepen en hun familierelaties (za: alleen zaterdag, zo: alleen zondag) 

Bruidegom en getuigen waren dus over drie schepen verspreid, het was allemaal familie. Het is dan geen wilde gok te veronderstellen dat de meeste opvarenden op de bruiloft aanwezig zijn geweest. Hebben ze nog geslapen voor ze aan boord gingen of kwamen ze rechtstreeks van het feest?   

Door Ter Pelkwijk weten we dat ze vanaf 2 uur ‘s nachts de hele zaterdag in touw zijn geweest:  

“De Schout […] bevond eenigen tijd later, aan de Broekhuizen komende, het binnenwater aldaar even hoog, zoo niet hooger, dan dat der Vecht, en vond reeds eenige schippers, die te voet, langs den dijk, van Dalfsen derwaarts gekomen waren, bezig, met de in de Vecht aanwezige schuitjes over den dijk naar binnen te brengen, om daarmede de noodlijdenden te hulp te komen.  

Onderwijl waren de schippers met hunne schuiten van Dalfsen vertrokken, hoewel het midden in de nacht was, vreeselijk waaide en sterk sneeuwde. Dan, geene doorbraak boven de Berkummerbrug ontwarende, en dus aldaar niet naar binnen kunnende komen, vonden zij eerst bij het Nieuwe Verlaat, aan de mond van de Nieuwe Vecht, menschen en vee op den dijk staan, die zij innamen en waarmede zij vervolgens de Vecht afvoeren, tot dat zij door de eerste waade bij het Haerster Veer, naar binnen geraakten, en in de buurtschappen Haarst en Berkum, onder de gemeente Zwollerkerspel, een twintigtal personen, zoo mannen, vrouwen en kinderen, van de daken en zolders verlosten, en op het Buitengoed Broekhuizen brachten”.  

De schippers zijn verder de hele zaterdag bezig geweest om mensen en vee in Ankum en Gerner te redden. De mensen werden gebracht naar de landhuizen De Bese, Hofwijk en Ankum, die allemaal wel in het overstroomde gebied lagen maar kennelijk wat hoger. Men wist wel waar men moest bouwen. Het vee werd naar de Leemcule van Schout Mulert en het dorp Dalfsen gebracht.   

Ook zondags zijn de drie schepen nog uitgevaren maar het water op de ondergelopen landen in Dalfsen stond toen te laag en ook door ijs en sneeuw werden ze belemmerd. Ze moesten de lager gelegen landen aanhouden en zijn nog naar de Lichtmis en Rouveen gevaren, waar zij “een veertigtal menschen uit de bouwvalligste huizen verlosten en naar Den Hulst […] bragten”.  

 Het Dalfser archief bevat een fascinerend document met daarin geturfd het aantal mensen dat werd gered. Bij de eerste serie staat “man, vrouw en kind uit het dak gekomen”. Het schilderij ‘Dijkdoorbraak aan de Kuinre’ illustreert op indrukwekkende wijze hoe dat eruit kan hebben gezien.  

Figuur 4 Dijkdoorbraak aan de Kuinre door Dirk Piebes Sjollema (foto Museum De Lakenhal, Leiden) 

Het document bevat ook een tekening die op een vaarroute lijkt. Niet duidelijk is waar het is. Er is één geografische aanduiding “Meent”. Dat kan in Haerst zijn waar ze zaterdags rondvoeren, of de Meele waar ze langs moesten toen ze zondags naar Rouveen voeren. Zijn de punten de plekken waar mensen opgehaald werden?  

Figuur 5 Aantal geredde mensen en mogelijk een vaarroute.  

 In het Dalfser archief zijn ook de uitgekeerde bedragen op beide dagen gespecificeerd. Wolter Wolters en zijn bemanning kregen het volgende 8 

“Nota 

Van de door het Gemeente Bestuur van Dalfsen aangewende kosten  Tot redding van menschen en vee, bij den jongsten watervloed  5 feb. Schipper W. Wolters met zijn schuit & 6 manschappen aan boord  voor de schuit f. 6,--  voor de  manschappen f. 13,50  6 feb.  voor de schuit f. 4,--  5 manschappen aan boord f. 7,50  Voor schade aan de schuit en zeillager geleden,  vergoeding van legdagen binnendijks f. 10,--”  

Gezien de lagere vergoeding voor schuit en bemanning op zondag zullen ze die dag korter in touw zijn geweest. Dat kwam Wolter Wolters ook wel goed uit. Op die dag werd zijn huwelijk met Janna Schuttevaar in de Grote Kerk in Dalfsen ingezegend, waar 200 jaar later de klokken zullen luiden ter herdenking van de watersnood. Hebben ze die zondag ook voor het huwelijk geluid? 

Figuur 6. Huwelijksregister van de Nederlandse Hervormde gemeente in Dalfsen 9  

Naast de 3 door de schout op pad gestuurde schuiten zijn ook nog vele kleinere schepen ingezet geweest. In de lijsten vinden we “GJ Westerhof met zijn schuitje”, “Schipper P. Weenink en H.J. Havers met een klein schuitje” en “H.J. Timmerman en G. Maat met schadevergoedingen aan hun schuitjes”.  

Verder staat in de lijst nog een flinke rij mensen die “zoo met als zonder vaartuigen” allemaal f. 2,25 per persoon kregen. Het duidelijke onderscheid tussen schuiten en schuitjes maakt het aannemelijk dat de grotere schepen zompen waren. Hier en daar wordt gedetailleerd beschreven waar de hulp uit bestond:  

“G. Appelhof, Broekhuizen, 2 beesten van schipper … zijn uitgeholpen”  “H.J. Timmerman, de kinderen van Harm Bakker uitgeholpen”    “Klaas Vredeveld en Lambert Jan van Rechteren, levensmiddelen gebracht naar H.J. Visscher“  “Pouwel Weenink en Hendrik Havers het schuitje van Beese over de Dijk bij Olimanshus gewerkt”  Enz. enz.  

Bij de volkstelling 1811 woonden er zo’n 40 schippers in het dorp Dalfsen. Uit het kadaster kunnen ook de schippers die woningen in eigendom hadden in 1825 afgeleid worden. De meeste namen van eigenaren zijn ook weer terug te vinden in de vergoedingslijsten.  

Figuur 7. Schippers en hun huizen in eigendom rond 1825 10  

Op 26 maart 1825 werden de vergoedingen uitbetaald. Alle schippers ondertekenden de declaratie maar Wolter Wolters is afwezig. Zijn vader Meindert Wolters tekent voor hem.  

Figuur 8. Handtekeningen onder de kwitantie van f. 41,-- 11  

Wolter had de 26ste andere dingen aan zijn hoofd. Een paar dagen eerder werd hun dochter Aaltjen geboren en zij zal op 28 maart overlijden. Het huwelijk van Wolter Wolters en Janna Schuttevaar is ook verder niet onder een gelukkig gesternte gesloten. Janna Schuttevaar overlijdt al op 7 oktober dat jaar.  

Maar Wolter Wolters zal in 1828 hertrouwen met Aaltje van Kuik en zij kregen 8 kinderen. De vier zonen gaan allemaal varen. We vinden ze terug als schippersknecht in Hattem, schipper in Rotterdam, veerbaas in Nijmegen en sleepbootkapitein in Zwolle. Dochter Gesina trouwt in 1860 met de schipper Hendrik Jan Schuttevaar, een neefje van Wolter’s eerste vrouw Janna. Op 17 mei 1861 wordt hun dochter Bertha in Dalfsen geboren. Met haar smelten 36 jaar na het ongelukkig verlopen huwelijk van haar grootvader en oudtante de schippersgeslachten Wolters en Schuttevaar toch nog samen. Zij trouwt in 1886 in Bemmel en zal zich daar rond 1900 met man en kinderen laten vereeuwigen. 

Figuur 9. Bertha Schuttevaar, Johan Schaeffer en kinderen (foto Historische Kring Bemmel) 

Noten

1 - Collectie Overijssel, Toegang 0123, inv. nr. 1718  2 - Op die plek staat nu Brasserie De Zeven Deugden  3 - Zie Delpher.nl  4 - Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Dalfsen, Overijssel, sectie K, blad 04, Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed, Documentnummer:  MIN04008K04  5 - Collectie Overijssel, toegang 0234, inv. 1043 t/m 1049  6 - OudDalfsen.nl/Stamboom  7 - Collectie Overijssel, Toegang 0624, inv. nr. 1044  8 - Ibidem  9 - Collectie Overijssel, Toegang 0469, inv.nr. 2  10 - HisGis.nl, zoeken op Gemeente=’Dalfsen’; Beroep=’Schip’; soort=’huis’  11 - Collectie Overijssel, Toegang 0624, inv. nr. 1044 

Literatuur 

Ab Goutbeek (2011), Stormvloed van 1825 in Dalfsen. In Rondom Dalfsen 70, april 2011. J. Ter Pelkwijk (1826), Beschrijving van Overijssels Watersnood (downloadbaar als Google Book).  G.J. Schutten (1981), Varen waar geen water is: reconstructie van een verdwenen wereld. Geschiedenis van de scheepvaart ten oosten van de IJssel van 1300 tot 1930. Broekhuis/Twentsche Courant: Hengelo. Themanummer De Watersnood van 1825 in 2025 herdacht,  Tijdschrift voor waterstaatsgeschiedenis 2024-1/2 , december 2024.

Meer weten over de ramp in Dalfsen? Auteur Peter Laarakker vertelde aan Vechtdal TV over wat de stormvloed voor Dalfsen betekende:

Vergeten stormvloed 1825 in Dalfsen.


De zeedijk en dijkstoel bij Laag Zuthem

Door Marije Keizers

Op zo’n 10 fietskilometers van het centrum van Zwolle, ligt Laag Zuthem. Ondanks dat er in Ter Pelkwijk vluchtig melding wordt gemaakt van de ramp in Zuthem als onderdeel van het Zwollerkerspel (Ter Pelwijk 1826: 195-205), zijn er toch zeker maatregelen genomen tegen de invloeden van het water. Dit is tegenwoordig nog zichtbaar rondom landgoed Den Alerdinck; er is een dijkstoel en een zeedijk.

Den Alerdinck

Water nam een belangrijke plaats in in de geschiedenis van Laag Zuthem. Door de opkomst van de Twentse textielindustrie was er bijvoorbeeld behoefte aan transport over water. Aan het eind van de 18e eeuw liet de toenmalige eigenaar van Den Alerdinck een het Nieuwe Kanaal graven voor de aanvoer van mest uit Zwolle. Na de stormvloed volgden nog meer kanalen als onderdeel van de Overijsselse Kanalisatie Maatschappij (OKM)(Keizers 2010: 29).

Laag Zuthem ligt aan de Nieuwe Wetering, waar bij hoog water vaker overstromingen plaatsvonden. Na de watersnoodramp van 1825 is er in 1830 de laatste hand gelegd aan een zeedijk en werd er een dijkstoel geplaatst (website Dalfsennet).

Dijkstoel van Salland 5e rot 

Locatie: Kolkweg 2a te Laag Zuthem 

Dijkstoelen werden op verschillende plekken geplaatst en dienden als schuilplaats voor bestuurders en arbeiders tijdens hun veldbezoeken. Daarnaast waren ze vooral bedoeld als magazijn voor materialen en gereedschappen, zodat er bij overstromingen snel maatregelen genomen konden worden. in de dijkstoel werden kruiwagens, spaden, planken en schotten bewaard, waarmee dijkdoorbraken afgesloten konden worden. De “Dijkstoel van Salland het 5e rot” werd rond 1900 gebouwd en is tegenwoordig een gemeentelijk monument (Website Dalfsennet en Monumenten.nl). 

 Tip: In de buurt van de Dijkstoel en het bordje van de Zeedijk, aan de Zuthemerweg 31, is in de zomerweekenden een terras te vinden als rustpunt.  

 

De Zeedijk 

Locatie: Tegenover Zuthemerweg 31 te Laag Zuthem 

 Als u net na de dijkstoel uw weg vervolgt naar links, de brug over, komt u bij de Zeedijk. Direct achter dit bordje loopt een pad omhoog de oude zeedijk op. De zeedijk liep langs de Zuthemerweg, Grote Hagenweg, Armjagersdijk en Hogeweg. Delen van de dijk zijn nog te zien als verhogingen in het landschap (Keizers 2010: 29-32) 

 De Zeedijk, werd 1829-1830 in aangelegd in opdracht van Bernard J. van Sonsbeeck (1772-1858, sinds 1797 eigenaar van de havezathe Den Alerdinck en omliggende landgoed). De dijk is zo’n 3.6 kilometer lang en heeft als taak het gebied tot de Kluinhaar (richting Heino) te beschermen tegen het oplopende water van de IJssel. In 1883 en 1895 heeft de dijk het water gekeerd. In 1995 is de zeewaterkerende dijk een provinciaal monument geworden (Keizers 2010: 29-32; Natuurmonumenten.nl).

In 1830 aangelegde zeedijk (bij benadering)

Literatuurlijst

Dieze, pachtboerderij De Hemel, het verhaal van de familie Jan Hendrik Mensink 

Door Huub Mensink

De mark Dieze tot 1850 1 

topografische kaart ca. 1890 met boerderijen De Hemel en De Hel in Dieze

In de 19-de eeuw (en daarvoor) was er een scherp contrast tussen de stad Zwolle met z’n nog middeleeuwse stratenstructuur en het landelijke Dieze. Wie de oude, vervallen Diezerpoort en de twee Diezerpoortbruggen was gepasseerd, stond haast zonder overgang op het platteland, een lappendeken van wei- en hooilanden, en hier en daar een stukje bouwland met aardappelen, rogge en groenten. Lanen, zandpaden, weggetjes en sloten verdeelden de landerijen in tamelijk strakke vakken van verschillende grootte. Daaromheen lagen niet ver van elkaar de schamele boerderijtjes van de keuters en de daghuurders. Dit was het oudst bewoonde gedeelte van Dieze. Het was een coulisselandschap: bomen, struiken, hagen en houtwallen om de akkers en boerderijen heen belemmerden het uitzicht op de uitgestrektheid van de rest van de polder. Dieze was tot halverwege de 19-de eeuw vooral een veeteeltgebied: twee derde van de grond bestond volgens een opgave uit 1815 uit hooi- en weiland, de rest uit bouwland. Die nadruk op de veeteelt kwam ook in de naamgeving tot uiting. De keuters en daghuurders van Dieze werden koemelkers genoemd en hun woonomgeving heette de Koemelkershoek (het gebied langs de Langenholterweg). Aan het eind van de 19-de eeuw zou het karakter van de boerenbedrijven tamelijk snel veranderen: steeds meer veeboeren werden tuinder of combineerden veehouderij en tuinderij. Het relatief dichtbevolkte, oude Dieze was maar een klein deel van de marke. Voorbij de stegen waar de koemelkers woonden, lag het uitgestrekte weidegebied van Dieze, dat begrensd werd door de grachten van Zwolle, het Zwartewater en de Westerveldse Aa. Een wandeling dwars door Dieze duurde meer dan een uur. Wie daarvoor de moeite nam, zag een echt Hollands polderlandschap, met alle coulissen die daar traditioneel bij horen: boerderijen, molens, wilgen, elzen, rietlanden en natuurlijk weilanden, hooilanden en akkers. Onopvallend maar vooral aanwezig waren de vele sloten, waarin nauwelijks waarneembaar, dag in dag uit, het overtollige water weg sijpelde. Het moet er doodstil zijn geweest; er was geen ander verkeer dan een enkele boerenkar met hooi, mest of aardappelen. 

In bovengenoemd gebied lag de pachtboerderij de Hemel halverwege de Holterbroekerweg, een weg die vanaf de stad tot de boerderij de Klooijenberg midden in het uitgestrekte polderlandschap lag.

Ligging boerderij De Hemel  

De Hemel lag in 1825 aan de Holtenbroekerweg, 2  deze weg liep vanaf de boerderij de Klooienberg naar de stad. Halverwege aan de noordzijde lag De Hemel, volgens een archeologisch onderzoek van september 2003 Holtenbroek IV van Michael Klomp. 

 Door  het archeologisch onderzoek Holtenbroek I, Mozartlaan en een oude kadastrale minuutplan uit 1832 op de GBKN uit 2003 te combineren, lijkt de Hemel onder de Obrechtflat aan de Obrechtstraat te situeren. De Holtenbroekerweg is grotendeels op een dekzandrug aangelegd. Uit archeologisch onderzoek blijkt, dat een groot gedeelte van Holtenbroek bestaat uit een bodem van klei op veen. De wijk Holtenbroek behoorde in de Late Middeleeuwen tot de marke Dieze.  Rond  1877 is de Hemel afgebroken, het huis werd op de oude plaats opnieuw herbouwd. Op een kaart van 1965 valt af te leiden dat een deel van de Holtenbroekerweg met aanliggende boerderij de “Klooienberg” nog aanwezig is. Op de plaats van de in 1877 gesloopte Hemel is tevens een boerderij te zien. 

Beschrijving pachtboerderij De Hemel tijdens watersnoodramp 1825  

Korte weergave uit het boek Overijssels Watersnood , een verslag van de ramp uit 1825 geschreven door J. Ter Pelkwijk, gedeputeerde Overijssel, een familieverslag over Jan Hendrik Mensink woonachtig in het woonhuis “De Hemel”, Holtenbroekerweg, Holtenbroek, de mark Dieze te Zwolle. 3  

Een fragment: 

"De mark Diese geraakte mede diep onder water, door de overstroming der Zwartewaters dijken, uit Mastenbroek. De voorsteden buiten de drie poorten, welke een groot aantal zielen bevatten, werden insgelijks bijna geheel overstroomd. – De spoedige aanwas van het water ontstelde de anders vrij geruste ingezetenen der stad zeer, en deze ontsteltenis werd spoedig nog vergroot, door de aankomst van een groot aantal vlugtelingen, uit de voorsteden enz. , die zich en hun vee binnen de stad in veiligheid zochten te stellen. De Bethlehemsche kerk werd dadelijk opgeruimd , ter berging van het vee, dat in de stads en bijzondere stallen niet geborgen konde worden, en de Regering zorgde , dat de vlugtelingen, welke geene toevlugt tot hunne bekenden in de stad genomen hadden, aldaar van het noodige werden voorzien. Hoe zeer nu de omstreken in de nabijheid der stad, in vergelijking met Mastenbroek en andere plaatsen, weinig hebben geleden, en binnen de gemeente Zwolle, gelukkig, niemand het leven heeft verloren, waren evenwel vele bewoners van laag gelegen huizen, vooral aan de oostzijde der stad, in den akeligen nacht van den 4-den op de 5-den Februarij, gansch niet buiten gevaar, en liet er zich van die zijde een angstig noodgeschrei hooren. Er werden daarom maatregelen genomen, om door middel van schuiten aldaar hulp toe te brengen, waarin zich onderscheidene ingezetenen van de voorstad, buiten de Dieserpoort, zeer verdienstelijk hebben gedragen.  

Jan Hendrik Mensink, wonende in Diese, in het huis de Hemel genoemd, werd op den 4-den Februarij, te 3 uren in den namiddag, door het water beloopen. Hij was alleen met eenen zoon te huis, terwijl zijne vrouw, zijn andere zoon en eene dochter met een schuit naar de stad gevaren waren, om de weekmarkt te bezoeken. Deze deden vergeefsche pogingen, om weder te huis te komen, en landden aan bij Barteld Hassevoort, waar de vrouw bleef. De zoon en dochter beproefden nog eens het huis te bereiken, en kwamen des avonds bij hunnen buurman, Mannes Alferink, waar zij tot den anderen morgen verbleven, toen zij weder bij hunnen vader te huis kwamen. Op de vorigen dag waren reeds drie personen, met eenen bok, van den zaagmolen van den Heer Schaepman aan dit huis gekomen, namelijk Hendrik Nijboer, Berend Meijer en Hendrik Hegthuis, welke er met levensgevaar den nacht overbleven, terwijl een gedeelte der koeijen in den bok bewaard bleef en 7 andere verdronken. Toen de tweede zoon des morgens met eene schuit te huis was gekomen, nam hij vier koeijen met zich naar de stad. Daarna voeren J.H. Mensink en de drie voormelde personen, met twee koeijen in den bok en een achteraanzwemmend paard, hetwelk men niet in denzelven had kunnen krijgen, naar het huis van Harmen Bos. Dit huisgezin werd derhalve, na het uitstaan van veel gevaar, nog gelukkig gered."

Uit bovenstaand verhaal blijkt, dat er gelukkig alleen materiële schade was en dat er 7 koeien waren verdronken.  Met een bok en schuiten wist J.H. Mensink en zijn zoons zichzelf en de familie van Harmen Bos te redden. De gehele schade in de gemeente Zwolle (grotendeels de Marke Dieze) viel mee; er waren geen mensen verdronken, het ging om 72 runderen, 2 paarden, 9 varkens, 12 korven met bijen, 12 weggespoelde gebouwen en 59 onbewoonbaar geworden en beschadigde gebouwen. Daarentegen was de schade in Zwollerkerspel beduidend hoger, omdat dat gedeelte voornamelijk in de Mastenbroekerpolder lag, te weten 26 verdronken mensen, 2882 runderen, 98 paarden, 59 schapen, 138 varkens 106 korven met bijen, 25 weggespoelde gebouwen en 233 onbewoonbaar geworden en beschadigde gebouwen. (3)  Blijkbaar hebben de dijken van het Zwartewater, de marke Dieze voor het ergste weten te behoeden, tevens was de stad Zwolle als toevluchtsoord nabij. Een subcommissie op gemeentelijk niveau, een afgeleide van de provinciale commissie van Overijssel, was verantwoordelijk voor de inventarisatie van de geleden schade en de vaststelling op grond daarvan van vergoeding en onderstand. Lang niet alle opgaven werden zonder meer geaccepteerd, vele werden nader onderzocht en getoetst. Bijvoorbeeld in IJsselmuiden werd een derde van de claims afgewezen. Toch was de toedeling over het algemeen ruimhartig. Bijvoorbeeld in Kampen werd de aanschaf van 383 nieuwe melkkoeien, voor slachtoffers van de watersnoodramp,  gesubsidieerd met een bedrag van fl.60,- per stuk, wat neerkomt op een totaal van bijna fl.23.000,- 

Relatie familie Mensink met boerderij de Hemel 

Om de impact van de ramp te duiden wil ik u graag meenemen in de stamboom van mijn voorouder J. H. Mensink die op boerderij De Hemel de stormvloed doorstond. 4 

Joannes Hendrikus wordt in september 1756 geboren als zoon van Jannes Jansen Mensink Krijghuis eigenaar van de katerstede Jan Graven of Krijghuis te Linderte (gem. Raalte). Hij sterft in 1831 enige jaren na de ramp op 75 jarige leeftijd in Zwolle. In 1795 trouwde hij in Zwolle - Onder de Bogen met Susanna (Swane) Zwaantje Gerrits (Holleboom). Zij overleed op 7-9-1842 te Dieze, 79 jaar oud.

De zoon van Joannes Henricus Mensink was Bernardus Mensink, geboren 31-5-1798 en overleden op 3-8-1873, hij kwam na zijn huwelijk op 26-4-1827 te wonen aan de Pannenkoekendijk te Zwolle. Dus ruim twee jaar na de watersnoodramp. Later verhuisde Bernardus naar de Hoogstraat te Zwolle. Zowel Joannes Hendrikus en zijn zoon Bernardus waren van beroep landbouwer. De klap van de watersnood was zwaar geweest, meestal was het land 1 jaar of langer nauwelijks productief vanwege het hoge zoutgehalte, dit bracht verarming te weeg. Ook Bernardus en zijn vrouw Jacomine van Reck kregen hierdoor een terugslag, zij leefden in behoeftige omstandigheden. Pas na twee generaties kwam zijn zoon Theodorus Mensink, geb. 24-5-1834 de klap weer te boven, hij woonde aan de Gasthuisdijk, Frankhuis, Zwolle en  was landbouwer, hij woonde dicht bij de monding van de Riete naar het Zwartewater. 

In 1924 werd van een van de zonen van Theodorus, te weten Antonius Bernardus Mensink op die plek een stuk grond gekocht om een elektrische bemalingsinstallatie te plaatsen. 5  Vanaf die tijd kon eindelijk in Spoolde/Veerallee en omstreken de waterstand beter geregeld worden. Een van de zonen van Theodorus, zijn zoon Everhardus, eveneens landbouwer/tuinder, kwam na een korte bewoning langs de Willemsvaart, uiteindelijk te wonen in Spoolde, aan de Nieuwe Weg (later Beukenallee). Met de winterdag en vroege lente liep het weiland en bouwland van Everhardus Mensink tot 1924 bij herhaling onder water vanwege kwelwater van de IJssel. Door de plaatsing van het elektrische gemaal bij Frankhuis had de ene broer de andere broer (onbewust) geholpen de voeten droog te houden, waardoor een betere bedrijfsvoering en bewoning aan de Nieuwe Weg (later Beukenallee) te Spoolde mogelijk was geworden. Voor 1924 kwam het water bij herhaling tot om de boerderij aan de Beukenallee 35, er was dan een roeibootje nodig om weg te komen. Helaas is een oude foto hiervan niet meer beschikbaar.

De familie Mensink en water was vanaf 1825 tot 1925 zeker een 100 jarig gevecht, de spreuk Luctor et Emergo, ik worstel en kom boven lijkt mij in dit geval wel van toepassing.  

Bronvermelding: 

  1. Vergeten levens, geschiedenissen van het Sallandse land, pag. 274-275 
  2. Archeologische Rapporten, Holtenbroek IV, Manifestatieterrein, Michael Klomp d.d. september 2003, pag. 5-6 
  3. Overijssels Watersnood. Een heruitgave van het verslag van de ramp van 1825 door J. Ter Pelkwijk, pag. 154 en 155,  verzamelstaat waterramp pag. 212 en 213, het “vaderlandsch gevoel”, XI
  4. Kwartierstaat van Hubertus Johannes Maria Mensink
  5. Leven met het water in de IJsseldelta, een waterschapsgeschiedenis, Wim Coster, pag. 102 

Noodhulp

De watersnoodramp van 1825 was de eerste ramp die werkelijk door alle Nederlanders gezamenlijk werd beleefd. In heel Nederland kwamen hulpacties op gang om te voorzien in de eerste behoeften aan voedsel, kleding en onderdak in het rampgebied. Ook werden subsidies beschikbaar gesteld voor de reparatie van woningen en schuren, de aanschaf van landbouwgereedschap en de aankoop van vee. De noodhulp geeft ons vandaag een goede inkijk in de omvang van de ramp en de impact die de overstroming had op de bevolking.

Geldelijke noodhulp uitgekeerd door provinciale commissie per gemeente (grootte bol: verhouding tot bevolkingsaantal)


Ramp door ramp

De malaria-epidemie die volgde op de watersnoodramp van 1825

Door Toos Lodder

Op 4 februari 1825 werden de bewoners van het kustgebied van Nederland opgeschrikt door een stormvloed die drie dagen aanhield. Grote overstromingen waren het gevolg. Deze overstromingen eisten vele slachtoffers, waarvan de meesten in de Kop van Overijssel vielen (305 van de 379). Voor de mensen die het van dichtbij meemaakten omdat ze naasten, hun huis en/of hun vee verloren, moeten die dagen een traumatische ervaring zijn geweest. Maar bij deze ramp bleef het niet. Op de watersnoodramp volgde een malaria-epidemie die van het najaar van 1826 tot in de zomer van 1827 voortduurde. Het is moeilijk te zeggen of de malaria-epidemie in Overijssel het aantal dodelijk slachtoffers van de watersnood heeft overtroffen. In sommige gemeenten was dat zeker het geval, maar veel cijfers ontbreken. In ieder geval had de epidemie een sterk ontwrichtende werking op de dorpsgemeenschappen omdat vaak een groot gedeelte van de lokale bevolking langdurig door ziekte geveld was. In het begin, omstreeks augustus 1826, werd vooral de stad Groningen door de ziekte getroffen. Aanvankelijk sloeg men geen alarm. Malaria was toen nog niet onder die naam bekend, maar stak in kustgebieden in het najaar bijna altijd wel ergens de kop op, zonder tot rampzalige gevolgen te leiden. Hij werd de anderdaagse koorts, derdedaags koorts of herfstkoorts genoemd. Maar in 1826 was het anders. In Groningen nam de ziekte al snel epidemische vormen aan. Ook grote delen van Friesland werden getroffen en vervolgens ook Overijssel. In de Nederlandsche Staatscourant van 25-10-1826 liet de Gouverneur van Overijssel het volgende bericht plaatsen:

"De ziekte, welke in de provincien Groningen en Vriesland, sints eenigen tijd de ontzettendste verwoestingen heeft aangerigt, is ook sedert eenige weken naar de provincie Overijssel overgeslagen." Nederlandsche Staatscourant (NSc) van 25-10-1826 (via Delpher, 4-7-2024)

De oorzaak van deze grootschalige uitbraak van malaria lag in de overstromingsramp uit 1825. Vooral door de combinatie van een uitzonderlijk warme zomer in 1826 en het feit dat in een aantal gebieden na de overstromingen lange tijd brak water op het land had gestaan ontstond een uitstekend biotoop voor de malariamug. Indertijd vermoedde men wel een verband tussen de overstromingen en de ziekte maar de malariamug als ziekteverwekker was nog niet bekend. 

De gouverneur van Overijssel stelt eind oktober 1826 een provinciale commissie in die tot taak heeft om de omvang en de verspreiding van de ziekte te volgen en om steun te verlenen aan getroffen gemeenten. Daar worden al snel plaatselijke commissies ingericht die wekelijks rapporteren aan de hoofdcommissie in Zwolle. 16 gemeenten besluiten tot de oprichting van zo’n commissie: Kuinre/Blankenham, Oldemarkt, Steenwijkerwoud, Steenwijk, Blokzijl, Giethoorn, Ambt Vollenhove, Stad Vollenhove, Wanneperveen, Schokland, Genemuiden, Zwartsluis, Kamperveen, Kampen, IJsselmuiden en Grafhorst. Vanaf november 1826 neemt het aantal zieken snel toe. Soms is meer dan de helft van een gemeenschap door ziekte geveld. Ondersteuning gaat naar de ‘minvermogenden’ of ‘minbedeelden’: dagloners en (veld-)arbeiders. Doel is om te voorkomen dat deze huisgezinnen vervallen tot de armenkas. Hoewel de ‘minbedeelden’ die steun ontvangen dus niet leven van de armenzorg, ligt ook voor sommigen uit deze groep het vragen en ontvangen van hulp gevoelig. Zodra leden van een getroffen huisgezin weer voldoende hersteld zijn om te werken worden ze hiertoe aangemoedigd, om ‘geen bedelaars te kweken’. Maar in de winterperiode is er in gemeenten die afhankelijk zijn van veldarbeid nauwelijks werk te vinden. 

Ondersteuning slachtoffers epidemie (% zielen t.o.v. totale bevolking)

De provinciale commissie deelt geld uit aan de getroffen gemeenten, maar ook textiel en voedingsmiddelen. In de loop van haar bestaan gaat het om ca. 22.000 gulden. Gemeenten zijn daarnaast actief in het werven van giften op landelijk niveau. In de periode van november 1826 tot maart 1827 staan er bijna dagelijks berichten in de Nederlandse Staatcourant over de staat van de ziekte in de verschillende delen van het land en over binnengekomen giften voor de noodlijdenden. 

Vanaf half februari is het verloop van de ziekte in de verschillende gemeenten redelijk te volgen, omdat er vanaf dan veel systematischer verslag wordt gedaan: hoeveel gezinnen worden ondersteund, uit hoeveel ‘zielen’ bestaan die gezinnen en wat zijn behoeften. De ziekte houdt in een aantal gemeenten zeer hardnekkig stand. Begin april krijgen elf van der zestien getroffen gemeenten nog een bijdrage van de hoofdcommissie. Eind juli 1827 wordt aan vijf gemeenten nog een laatste budget toegedeeld: Blokzijl, Zwartsluis, Wanneperveen, Steenwijkerwoud en Giethoorn. Het archief van de hoofdcommissie eindigt eind juli 1827.

Het verslag van de hoofdcommissie van 21-2-1827 geeft een mooi overzicht van het aantal gezinnen dat dan steun krijgt en het totaal aantal gezinsleden in die gezinnen. [1]  Het werkelijk aantal gezinnen met zieken ligt aanmerkelijk hoger, doordat in de verslagen meestal alleen het aantal ondersteunde gezinnen wordt vermeld.

De weekrapporten van alle getroffen gemeenten zijn lang niet altijd in het archief aanwezig en ook niet even compleet in hun verantwoording over het verloop van de ziekte. Met het beschikbare materiaal is een overzicht gemaakt van de omvang en het verloop van de steun aan getroffen huishoudens in de tijd. In onderstaande grafiek is het aantal getroffen huishoudens gerelateerd aan de omvang van de gemeente volgens Ter Pelkwijk. [2]  Hieruit blijkt dat Blokzijl en Kuinre/Blankenham de zwaarst getroffen gemeenten zijn, gevolgd door Grafhorst, Oldemarkt en Giethoorn.

Verantwoording: De gegevens in de overzichten per gemeente komen uit de notulen van de provinciale hoofdcommissie en de weekrapporten van de getroffen gemeenten zoals aanwezig in het archief Collectie Overijssel toegang 0025 inv. Nrs. 19162 en 19163. Bovendien heb ik gebruik gemaakt van het krantenarchief uit de periode augustus 1826-augustus 1827 zoals toegankelijk gemaakt via Delpher. Voor de grafieken heb ik gebruik gemaakt van de inwoneraantallen zoals vermeld door ter Pelkwijk. Die zijn soms hoger dan gegevens uit de krantenartikelen of de weekrapportages. Waar weekrapportages ontbreken of cijfers over het aantal ondersteunde gezinnen onvolledig zijn heb ik die uit tussenliggende weken geïnterpoleerd.

Noten:

 [1]  Collectie Overijssel (CO) toegang 0025 inv nr 19162 en 19163, bewerking auteur. Pelkwijk, J. ter, (1826),  Beschrijving van Overijssels Watersnood, in Februarij 1825.

 [2]  Omdat de cijfers van het aantal ondersteunde huisgezinnen completer was dan van het aantal ‘zielen’ in die huishoudens heb ik dat getal genomen, waardoor gezinnen van wisselende grootte, gemiddeld tussen de 4 en 5 mensen, worden gerelateerd aan de omvang van de bevolking.

Blokzijl

Blokzijl. Klik om uit te vouwen.

“[In de gemeente Blokzijl met 1500 inwoners zijn de zieken geteld], en dat dezelve zijn een aantal van 770 te beloopen, waaronder 480, welke aan de beterende hand waren. Vijf honderd der bewoners dier gemeente waren hersteld, doch te zwak, om hun bedrijf naar behooren te verrigten, weshalve de plaats ter nauwernood 200 gezonde menschen konde opleveren. Het aantal der aldaar in de jongste drie maanden gestorvenen bedraagt 70 personen, terwijl in gewone tijden het getal der overledenen in een geheel jaar op 30 à 40 personen wordt berekend”[1], aldus de Nederlandsche Staatcourant van maandag 6 november 1826. Ter vergelijking: tijdens de watersnoodramp, een jaar eerder, verdronken 4 mensen in Blokzijl. 

Genemuiden

Genemuiden. Klik om uit te vouwen.

“De commissie tot onderstand te Genemuiden, […] berigt tevens dat, van ruim 1300 inwoners, welke die gemeente bevat, schier allen uit handwerklieden bestaande, nagenoeg 500 door de heerschende ziekte zijn getroffen, […] en de oogen van menig huisvader en weduwe in dezen op de commissie gevestigd houdt, om, zoo mogelijk, door dezelve voor de vernedering bevrijd te worden, van elders onderstand te moeten vragen. Ter oorzake van welke gesteldheid de commissie, die, tijdens den Watervloed van het verleden jaar, het genoegen mogt hebben om vele tranen te droogen, de hope koestert van, in de tegenwoordige omstandigheden, niet te worden teleur gesteld, waartoe zij de vrijheid neemt, de lijdenden onder haar toevoorzigt, aan elk weldenkende, ten sterksten aan te bevelen.”[1]

Giethoorn

Giethoorn. Klik om uit te vouwen.

“De Commissie ter verzorging van de noodlijdenden door de thans heerschende ziekte in deeze gemeente heeft bij deezen de eer te berigten dat het haar is voorgekomen dat wel in deeze Gemeente een buitengewoon aantal ingezetenen aan de koorts laboreren, doch niet zodanig dat daardoor op dit ogenblik behoefte ontstaat en geene derzelver onderstand behoeven.”[1]

Kampen

Kampen. Klik om uit te vouwen.

Ook bij de commissie ter voorziening te Kampen zijn van elders ingekomen drie giften, te zamen bedragende fl.134,87 ½. Deze commissie schrijft in dato den 30sten october, dat de ziekte op de meeste plaatsen nog met afwisselende woede heerscht, en verklaart zich daarom bij voortduring bereid, tot de ontvangst van gelden, kleedingstukken, wijn, bessensap, enz. en verzoekt der weldadigheid bij vernieuwing hare pogingen blijkbaar te willen ondersteunen.”[1]

Kamperveen

Kamperveen. Klik om uit te vouwen.

Op het schrijven van de gouverneur van 25 oktober 1826 richt de burgemeester van Kamperveen direct een plaatselijke commissie op: “Ter voldoening aan de aanschrijving van uwe Excellentie de dato 25 October 1826 heb ik de eer uwe Excellentie te informeren dat door mij dadelijk de daarbij verlangde Commisse aangestelt en nevens mij in deze kwaliteit bestaat uit de Heeren […]”en dan volgen namen en functies van de andere leden van de commissie: de predikant, de assesor (wethouder) en nog 2 raadsleden. [1]

Kuinre en Blankenham 

Kuinre en Blankenham . Klik om uit te vouwen.

“ZWOLLE, den 30. October. [...]  In de gemeente Kuinre en Blankenham, te zamen bestaande uit eene bevolking van ongeveer 1100 zielen, bevinden zich 468 zieken, en zijn aldaar, van den 1. tot den 27. dezer maand, veertien personen overleden.”[1] 

Oldemarkt

Oldemarkt. Klik om uit te vouwen.

“OLDEMARKT, (Overijssel) den 22. October.  De thans algemeen heerschende ziekte, ofschoon hier eenigszins later dan op andere plaatsen doorgedrongen, woedt vooral sterk in het lage gedeelte dezer gemeente  – De sterfte is tot eene zoodanige hoogte geklommen, dat er op eene bevolking, welke in dit seizoen geen 1600 te boven gaat, in deze maand reeds 22 zijn bezweken. – En door het overlijden van den Genees- en Heelmeester Werfelman, ontbreekt in de meer afgelegen plaatsen Calenberg en Ossenzijl, ten eenen male geneeskundige hulp.”[1]  

Schokland

Schokland. Klik om uit te vouwen.

Schokland en Wanneperveen zijn de twee gemeenten waar als laatste een plaatselijk commissie wordt opgericht. In het verslag van de hoofdcommissie van 7-2-1827 lezen we: “benevens [de verslagen] der twee nieuw opgerigte Commissies te Wanneperveen en Schokland, houdende alle opgaven van den Staat harer administratie en der behoeften.”[1] Uit de aanvraag voor steun van de gemeente Schokland van 1 februari 1827 blijkt dat sommige inwoners dan al zeker een half jaar ziek zijn.  

Vollenhove

Vollenhove . Klik om uit te vouwen.

(stad en ambt)[1]

Wanneperveen

Wanneperveen. Klik om uit te vouwen.

Ter Pelkwijk eindigt zijn rapportage over de gebeurtenissen tijdens de watersnood in Wanneperveen met de volgende woorden: “Evenwel blijft het vooruitzigt in de toekomst kommervol, daar de schade, door de minstvermogende klasse geleden, zoo groot is, en de bijna geheele vernieling der rietlanden, welke derzelve, in den winter en het vroege voorjaar, arbeid en dus een bestaan verschaffen, nog lang de schadelijke gevolgen voor haar hebben zal.”[1] 

IJsselmuiden en Grafhorst

IJsselmuiden en Grafhorst. Klik om uit te vouwen.

“Voorts gelezen eene missieve van den Heer Med. Dr. Hoffman te Kampen, in antwoord op de daaromtrent gedane vraag, te kennen gevende dat de heerschende ziekte zich wel degelijk in de Gemeente IJsselmuiden, zoo ook in die van Grafhorst verspreid had en behoefte bij sommige huisgezinnen deed ontstaan.”[1] 

Zwartsluis

Zwartsluis. Klik om uit te vouwen.

“De commissie te Zwartsluis, die, na alvorens voor andere plaatsen te hebben ingezameld in de helft der vorige maand gedrongen werd de milddadigheid tot ondersteuning van derzelver eigen zieken in te roepen, heeft sedert tot dat einde, van de hoofdcommissie te Zwolle fl. 300,- en eenig linnengoed, van de andere commissie te Zwolle[1] fl.80,- en eenige levensmiddelen, van de commissie te Vollenhove fl. 25,-, van de hervormde gemeente te Schiedam fl. 100,- en uit Wageningen fl.12,37,1/2 ontvangen; heeft daarvan in dato 11den dezer, berigt gedaan en beveelt harer behoeftige lijders verder der menschlievendheid aan”.[2] 

Blokzijl

“[In de gemeente Blokzijl met 1500 inwoners zijn de zieken geteld], en dat dezelve zijn een aantal van 770 te beloopen, waaronder 480, welke aan de beterende hand waren. Vijf honderd der bewoners dier gemeente waren hersteld, doch te zwak, om hun bedrijf naar behooren te verrigten, weshalve de plaats ter nauwernood 200 gezonde menschen konde opleveren. Het aantal der aldaar in de jongste drie maanden gestorvenen bedraagt 70 personen, terwijl in gewone tijden het getal der overledenen in een geheel jaar op 30 à 40 personen wordt berekend [1] , aldus de Nederlandsche Staatcourant van maandag 6 november 1826. Ter vergelijking: tijdens de watersnoodramp, een jaar eerder, verdronken 4 mensen in Blokzijl. 

In Overijssel is Blokzijl de gemeente die het zwaarst door de ziekte getroffen wordt. Daar worden al snel, als enige plaats in Overijssel, een ziekenzaal en een centrale soep-kook-instelling ingericht.

Uit de Staatscourant van 16 november 1826: “De provinciale hoofdcommissie tot onderstand der noodlijdenden door de heerschende ziekte te Overijssel heeft, op voorstel van den te Blokzijl praktiserenden med. doctor den heer Dueckell, en van de commissie aldaar, de oprigting van een ziekenhuis te Blokzijl bevolen, en daartoe de noodige kribben, matrassen peluwen, dekens, lakens, hemden, derwaarts gezonden; in dit ziekenhuis zullen zoodanige zieke huisgezinnen opgenomen worden, welker armoedige woningen niet behoorlijk kunnen gezuiverd en gelucht worden, en die dus de aanleiding tot eene gevaarlijke besmetting zouden kunnen geven. [2] 

Niet iedereen voelt voor opname in het ziekenhuis. Op een vraag van de gemeente, begin december, wat te doen met een echtpaar dat weigert naar het ziekenhuis te gaan, besluit de provinciale hoofdcommissie om dat echtpaar dan maar aan hun lot over te laten en geen hulp meer te verstrekken.

 De laatste week van december brengt de gouverneur van Overijssel persoonlijk een bezoek aan de gemeenten in het kwartier van Vollenhove. [3]  In de derde week van januari meldt de commissie acht sterfgevallen, waaronder een kind. Begin maart zijn er opnieuw vier sterfgevallen. Daarna daalt het aantal ziektegevallen geleidelijk. Half maart is de verspreiding van de ziekte zozeer terug gedrongen dat het ziekenhuis kan worden ontmanteld. Het soepkoken gaat op verzoek van de dokter nog wel door. Eind maart heeft hij nog ruim 30 patiënten onder zijn hoede en krijgen 127 gezinnen nog steun. Pas een maand later, half april, wordt ook de centrale soepkook inrichting afgebroken; de inboedel wordt verkocht. Blokzijl dankt in haar weekrapport van 21 mei 1827 de hoofdcommissie dat deze nog enige tijd een medicus ter beschikking heeft gesteld, die dan onder de onvermogenden zelfs nog 70 patiënten heeft. Het is niet duidelijk of deze dokter de eerder genoemde Dr. Dueckell is. In elk geval pleit deze arts voor meer aandacht voor reinheid: in de openbare ruimte is dat een taak voor de gemeente maar “ook voor de inwendige reinheid der woningen en slaapplaatsen zal behooren gezorgd te worden”. [4]  De gemeente verwacht daarvoor het nodige linnen te moeten aanschaffen. Aangezien de arts binnenkort zelf naar de Gouverneur gaat, kan hij dan aangeven hoeveel er nog nodig is. 

De commissie wil de meer gegoede burgers die toch steun nodig hebben behoeden voor de schande van het openlijk aanvragen van hulp. Ze meldt "onderstand in geld [te geven] aan eenige meer fatsoenlijke lieden, die zich zouden schamen van de openlijke uitdeling te genieten, ofschoon zij eveneens hulp behoeven [5] . Ook in de cijfers wordt dit onderscheid gemaakt: er zijn half maart 143 huisgezinnen die steun ontvangen, waarvan 42 ‘meer fatsoenlijken’ (zie afbeelding 2 in kop).

Als zwaar getroffen gemeente kan Blokzijl rekenen op steun uit het hele land. Ook giften van elders bestaan zowel uit geld als uit goederen, zoals blijkt uit het bericht uit de Staatscourant van  22 november 1826 (zie afbeelding 3 in kop).

Van het provinciale budget van de hoofdcommissie gaat het grootste deel naar Blokzijl: fl.3.055,- van de totaal ca. fl.22.000,-. Blokzijl krijgt bovendien (minimaal) 50 mannen-, 80 vrouwen-, en 76 kinderhemden, 34 borstrokken, 78 paar wollen kinderkousen en 50 flessen bessennat. Vervoer van goederen naar Blokzijl gaat veelal per marktschuit. De lege flessen voor het bessennat gaan daarbij retour. Blokzijl is één van de vijf gemeenten die tot op het laatst geld uit Zwolle krijgt.

Verloop van het aantal ondersteunde gezinnen in Blokzijl op basis van de beschikbare weekrapportages (17-2-1827 t/m 19-4-1827) (zie afbeelding 4 in kop).

Noten:

 [1]  Nederlandsche staatscourant (NSc) 6-11-1826 (Delpher 16-9-24).

 [2]  NSc, 16-11-1826 (Delpher 16-9-24).

 [3]  NSc, 5-1-1827 (Delpher 16-9-24).

 [4]  CO 0025 inv nr 19163, weekrapport Blokzijl 21-5-1827.

 [5]  CO 0025 inv nr 19162, weekrapport Blokzijl 10-2-1827.

Genemuiden

“De commissie tot onderstand te Genemuiden, […] berigt tevens dat, van ruim 1300 inwoners, welke die gemeente bevat, schier allen uit handwerklieden bestaande, nagenoeg 500 door de heerschende ziekte zijn getroffen, […] en de oogen van menig huisvader en weduwe in dezen op de commissie gevestigd houdt, om, zoo mogelijk, door dezelve voor de vernedering bevrijd te worden, van elders onderstand te moeten vragen. Ter oorzake van welke gesteldheid de commissie, die, tijdens den Watervloed van het verleden jaar, het genoegen mogt hebben om vele tranen te droogen, de hope koestert van, in de tegenwoordige omstandigheden, niet te worden teleur gesteld, waartoe zij de vrijheid neemt, de lijdenden onder haar toevoorzigt, aan elk weldenkende, ten sterksten aan te bevelen. [1] 

 Verloop ziekte 

Genemuiden is een van de vijf gemeenten die direct na het schrijven van de gouverneur van 25 oktober 1826 een plaatselijke commissie inricht. Al vrij snel blijkt niet zozeer de ziekte toe te nemen, als wel het aantal gezinnen dat hulp vraagt, omdat reserves opraken. Hoewel geen mededelingen worden gedaan over sterfgevallen, blijkt dat begin december onder de 30 ondersteunde gezinnen drie weduwes zijn, die door de ziekte hun man en kostwinner verloren hebben. Genemuiden benadrukt herhaaldelijk dat er meer noodlijdenden zijn, dan zij die hulp krijgen, want zolang mensen het zelf nog net kunnen redden worden ze afgewezen voor hulp. 

“Veele, buiten de thans reeds door ons bedeeld wordende huishoudingen blijven er steeds over, welke door de ziekte zwaar gedrukt of nog voortsukkelende zich zeer sober moeten behelpen, doch tot welker opbeuringen wij om vroeger opgegeven redenen, tot heden, onze zorg geenszins hebben durven uitstrekken.” [2]   

Uit de notulen van de hoofdcommissie van 7 februari blijkt dat deze vindt dat, op verzoek van de burgemeester van Zwollekerspel, het behoeftig huisgezin van Willem Klazen Riesebos uit Cellemuiden ondersteund moet worden vanuit Genemuiden. Het gezin, bestaande uit 10 personen met veel jonge kinderen, heeft al medische hulp van de dokter uit Genemuiden gekregen. Zodoende hoeft Zwollekerspel geen eigen commissie op te richten. Uit het weekrapport van 17 februari 1827 blijkt de armoede in het gezin: “[dat gezin dat] in de meest behoeftigste toestand verkeert, als heerschende aldaar een volslagen gebrek aan alle noodwendige behoeften, zoowel van voeding, als van verwarming, kleeding en dekking en alles ter voorziening daarin door ons buitengewone kosten zullen moeten worden aangewend.” [3]  Genemuiden krijgt fl.50,- voor de steun aan dit gezin.   Echter, de heer Riesebos beklaagt zich bij de hoofdcommissie en vindt dat zijn gezin te karig bedeeld wordt. De commissie is het daar niet mee eens en becijfert dat het gezin meer heeft ontvangen dan de fl.50,- die Genemuiden voor hen had gekregen en zeker niet minder dan andere behoeftigen in de gemeente: “Dat zeker geenen, der aan onzen verzorging aanbevolen huisgezinnen eene meer ruime bedeeling heeft ontvangen, ofschoon ziek, daaronder verscheydene bevinden, welke door de geheerscht hebbende ziekte veel meer geleden hebben; trouwens in de huishouding van W.K. Riezebos heeft de ziekte alleen enige der kinderen getroffen terwijl de Hoofden van dat gezin daarvan verschoond blevenen alzoo steeds werkvatbaar geweest zijn […]”. [4] 

Illustratie 1: uit weekrapport van Genemuiden van 31-3-1827 waarin de plaatselijke commissie haar bijdrage aan het gezin van W.K. Riezebos becijfert. (Bron: Collectie Overijssel toegang 0025 inv. nr. 19163). Zie kop Genemuiden spreekt in dit rapport over de ‘geheerschd hebbende ziekte’. Twee weken eerder rapporteert de commissie het hoogste aantal ondersteunde gezinnen: 28. Daarna ontbreken concrete cijfers tot 14 april als er toch nog respectievelijk 16 en, een week later, 12 ondersteunde gezinnen zijn. [5]  Na begin april ontvangt de gemeente geen bijdragen meer van de provinciale hoofdcommissie. De gemeente had nog voldoende middelen in kas: in mei worden nog noodlijdende gezinnen ondersteund voor totaal fl.11,- en  fl.8,- . 

De gemeente krijgt totaal fl.553,-; een betrekkelijk geringe bijdrage gerelateerd aan het inwonertal van de gemeente. Daar staat tegenover dat de gemeente ook van elders geld en goederen ontvangt. 

 Aard van de hulp 

De commissie deelt levensmiddelen, brandstof en textiel aan de behoeftige gezinnen uit: gierst, gepelde gort, wijn, turf, aardappelen, dek- en kledingstukken. 

Genemuiden ontvangt behalve geld ook goederen. Van de provinciale hoofdcommissie krijgt ze 25 lakens, 20 mannen-, 20 vrouwen-, en 5 kinderhemden. Bovendien ontvangt Genemuiden niet alleen steun van de provinciale hoofdcommissie maar ook van elders. De hoofdcommissie wil hier graag inzage in hebben en maant volgens haar verslag van 20 december 1826 Genemuiden om opgave te doen van deze giften “daar zij in de Couranten de algemeene weldadigheid heeft ingeroepen”. [6] 

Eind december meldt de commissie daarom netjes de ontvangst van een baaltje kledingstukken, een mand bessensap en een potje ingelegde kweeën uit Rotterdam en van het genootschap Aurora uit ‘s Gravengage ½ anker rode wijn. Later krijgt Genemuiden van de commissie voor noodlijdenden te Groningen en elders geld, 4 wollen dekens en 3 vrouwenmantels. Vanaf januari nemen de giften van elders af.   

Illustratie 2: kranten advertentie Genemuiden waarin bedankt wordt voor steun. Bron Opregter Haarlemsche Courant van 6-2-1827 (Delpher 12-9-2024). Zie kop.

Grafiek: aantal ondersteunde gezinnen in Genemuiden op basis van de beschikbare week rapportages (2-12-1826 t/m 21-4-1827). Bron: CO toegang 0025 inv nr 19162 en 19163, bewerking auteur. Zie kop.

   [1]  Nederlandsche staatscourant (NSc) 13-12-1826 (Delpher 16-9-24).

 [2]  Collectie Overijssel (CO) 0025 inv nr 19162, Weekrapport Genemuiden 9-12-1826.

 [3]  CO 0025 inv. nr. 19162.

 [4]  CO 0025 inv. nr. 19163.

 [5]  In de grafiek zijn de tussenliggende weken door de auteur geïnterpoleerd.

 [6]  CO 0023 inv nr 19162.

  

Giethoorn

De Commissie ter verzorging van de noodlijdenden door de thans heerschende ziekte in deeze gemeente heeft bij deezen de eer te berigten dat het haar is voorgekomen dat wel in deeze Gemeente een buitengewoon aantal ingezetenen aan de koorts laboreren, doch niet zodanig dat daardoor op dit ogenblik behoefte ontstaat en geene derzelver onderstand behoeven. [1] 

Op 1 november 1826 bericht Giethoorn aan de gouverneur dat de ziekte weliswaar in haar gemeente heerst, maar dat er (nog) geen behoefte is aan ondersteuning van minvermogende gezinnen. De gemeente houdt wel een collecte voor de noodlijdenden in Groningen en andere delen van het land. 

Illustratie: bericht over collecte in Giethoorn. (Bron: Nederlandse Staatscourant 9-11-1826). Zie kop. 

Uit het derde weekrapport blijkt dat de situatie is gewijzigd. De commissie verwijst daarvoor naar het verslag van begin december dat niet in het dossier aanwezig is. Half december ontvangen 40 huishoudens steun. Ze krijgen lakens en dekens , aardappelen, brood en andere levensmiddelen. Giethoorn ontvangt tot die tijd voldoende bijdragen van de Groninger commissie in geld en goederen, waardoor een bijdrage van de provinciale commissie nog niet nodig is. Het gebrek aan werk door wisselende weersomstandigheden leidt ook in Giethoorn tot toename van het aantal behoeftigen. Half januari wordt de omvang van de hulpvraag zo groot dat de commissie wel zo’n bijdrage van de provincie vraagt. Voortaan staat Giethoorn op de lijst van gemeenten die bijdragen van de provincie ontvangen. Behalve geld krijgt ze ook beddengoed van de hoofdcommissie (30 dekens en 60 lakens).  

Illustratie: Uit het weekrapport van Giethoorn van 12 januari 1827 waarin de commissie de vrijheid neemt aan de hoofdcommissie om enige onderstand te vragen als zij daartoe in staat is.  (Bron: CO toegang 0025 inv nr 19162). Zie kop.  

In de gemeente blijft de behoefte aan ondersteuning relatief lang bestaan. Begin mei meldt de commissie dat er weliswaar weer overvloedig arbeid te vinden is en dat er in veel getroffen gezinnen vaak wel iemand is die wel in staat is om te werken, maar er zijn toch nog tal van gezinnen die hulp nodig hebben. Om het verzoek om bijstand hiervoor kracht bij te zetten wordt een aantal zieke behoeftige personen met naam en toenaam genoemd. In mei daalt het aantal behoeftige gezinnen gestaag maar in het laatste verslag van de commissie van begin juni zijn het er nog steeds negentien.  

In Giethoorn heeft, in ieder geval door hulp van de commissie voor noodlijdenden in Groninger en elders, wat later dan veel andere gemeenten een beroep gedaan op de provinciale hoofdcommissie. Het heeft lang geduurd voor de ziekte voldoende was uitgewoed om alle hulp af te bouwen. Giethoorn hoort bij de vijf gemeenten die tot op het laatst steun ontvangen: totaal fl.1825,-. Hiermee komt de gemeente met Grafhorst en Kamperveen op de derde plaats van hoogte van de provinciale bijdrage per inwoner.  

Grafiek: aantal ondersteunde gezinnen in Giethoorn op basis van de beschikbare week rapportages (10-12-1826 t/m 1-6-1827). Bron: CO toegang 0025 inv nr 19162 en 19163, bewerking auteur. Zie kop.

 [1]  Collectie Overijssel  toegang 0025 inv. Nr. 19162.

Kampen

Ook bij de commissie ter voorziening te Kampen zijn van elders ingekomen drie giften, te zamen bedragende fl.134,87 ½. Deze commissie schrijft in dato den 30sten october, dat de ziekte op de meeste plaatsen nog met afwisselende woede heerscht, en verklaart zich daarom bij voortduring bereid, tot de ontvangst van gelden, kleedingstukken, wijn, bessensap, enz. en verzoekt der weldadigheid bij vernieuwing hare pogingen blijkbaar te willen ondersteunen.” [1] 

Verloop van de ziekte 

Op 29 oktober 1826 meldt de burgemeester van Kampen, de heer T. Lemker, de oprichting van een plaatselijke commissie ten behoeve van de noodlijdenden door de heersende ziekte aan de gouverneur van Overijssel. Twee weken later volgen details: “...dat wij een nauwkeurig onderzoek gedaan hebben naar den staat der thans heerschende ziekte in deze gemeente en het aantal der behoeftigen zieken waaromtrent ons uit de nominatieve opgave der Heeren Doctoren gebleken is dat er thans in deze gemeente gevonden worden drie en vijftig huisgezinnen waarin tezamen ziek zijn vier en zeventig personen en welke huisgezinnen door de administratie van den algemeenen onderstand verzorgd worden en negen en vijftig huisgezinnen bevattende drie en negentig zieken wordende deze huisgezinnen niet gealimenteerd, doch zijn dezelve ten gevolge dier ziekte hulpbehoevend. Veele broodwinnende hoofden dier gezinnen zijn zedert een geruimen tijd reeds ziek geweest het geen den geringen voorraad doen verteeren, terwijl de bijblijvende zwakte en ongesteldheid der herstellenden hen tot allen werk onbekwaam maakt, zodat zij zonder ondersteuning in den naderenden winter geheel tot armoede zouden vervallen.” [2]  De gemeente meldt verder dat de ziekte niet toeneemt en de sterfte niet hoger is dan gewoonlijk en aanmerkelijk lager dan in de vorige maand.   In de volgende weken wordt geen precieze opgave van het aantal zieken en ondersteunde huisgezinnen meer gedaan, maar wordt wel vermeld dat er weinig verandering is. Vermoedelijk blijft het aantal ondersteunde gezinnen dus ergens tussen de vijftig en de zestig. 

 De Vereniging tot Nut voor het Algemeen neemt de verstrekking van voedselhulp voor haar rekening. Als zij hiervoor niet meer voldoende in kas heeft stijgt de behoefte aan ondersteuning in een keer sterk. De eerst beschikbare cijfers zijn van begin februari. Die laten een aantal van 118 ondersteunde gezinnen zien: een verdubbeling van eerdere cijfers. Eind februari lijkt de ziekte wel af te nemen, maar de behoeften nog niet, omdat er weinig werk te vinden is. Vanaf half maart wordt dat beter. Na eind april is geen verslag uit Kampen meer aanwezig. Wel vermelden de notulen van de vergadering van 25 juli, dat Kampen haar eindverslag heeft ingediend. De plaatselijke commissie wordt gedechargeerd.   

Aard en omvang steun 

Hoewel Kampen vanaf het begin een plaatselijke commissie heeft die ondersteuning aan stadsgenoten biedt, blijkt uit een bericht in de Nederlandsche Staatscourant, dat ze de uit het land ontvangen hulp in die begin periode niet alleen voor zichzelf houdt, maar ook met andere getroffen gemeenten deelt. Het lijkt een vrij willekeurig lijstje van buurgemeenten en plaatsen van verder weg: Oosterwolde, Oldemarkt, Woudsend en Appingedam krijgen ook een deel.  

Kampen toont zich tevreden dat de hoofdcommissie ervoor pleit steun vooral in natura te verstrekken. Dat is ook haar eigen beleid. De commissie koopt onder andere turf en linnen in, om hemden van te maken. Later komen daar dekens, strozakken en wijn bij. In bijzondere gevallen, en spaarzaam, zo wordt uitdrukkelijk vermeld, wordt ook geld verstrekt.   

Illustratie: Uit weekrapport Kampen van 11 december 1826 waarin Kampen schrijft tevreden te zijn met het beleid van de hoofdcommissie om steun in natura en niet in geld te verstrekken. (Bron: CO toegang 0025 inv nr 19162). Zie kop.

 Kampen ontvangt totaal fl.2200,- van de provinciale hoofdcommissie en hoort daarmee tot de gemeenten die het minst per inwoner krijgen.  

Grafiek: aantal ondersteunde gezinnen in Kampen op basis van de beschikbare week rapportages  (10-12-1826 t/m 28-4-1827). Bron: CO toegang 0025 inv nr 19162 en 19163, bewerking auteur. Zie kop.

 [1]  Nederlandse Staatscourant 6 november 1826 (Delpher 4-7-24).

 [2]  Collectie Overijssel toegang 0025 inv nr 19162.

Kamperveen

Op het schrijven van de gouverneur van 25 oktober 1826 richt de burgemeester van Kamperveen direct een plaatselijke commissie op: “Ter voldoening aan de aanschrijving van uwe Excellentie de dato 25 October 1826 heb ik de eer uwe Excellentie te informeren dat door mij dadelijk de daarbij verlangde Commisse aangestelt en nevens mij in deze kwaliteit bestaat uit de Heeren […]”en dan volgen namen en functies van de andere leden van de commissie: de predikant, de assesor (wethouder) en nog 2 raadsleden.  [1] 

In haar weekrapport van 11 november refereert de commissie aan het overzicht van het aantal zieken dat ze eerder aan de hoofdcommissie stuurde. Helaas is dat overzicht niet in het archief bewaard gebleven. Waarschijnlijk stonden in dat overzicht de namen van de ondersteunde gezinnen, want elk nieuw gezin dat steun ontvangt wordt steeds met naam en toenaam vermeld. 

Ook in Kamperveen blijkt dat mensen schroom hebben om steun te vragen. “Deze menschen [het gaat om het gezin van Gijsbert Boer], ofschoon den geheele zomer reeds door ziekte geleden hebbend, openbaarden hunner nood niet, totdat de Commissie bij gelegenheid der bevalling van de vrouw zulks ontdekte […]”. [2]  

De gemeente gaat voortvarend te werken met het inslaan van voorraden en heeft "eene overeenkomst getroffen met kooplieden in turf, olie, enz. te Kampen, welke aannamen om voor de minst mogelijke prijzen voor onze Commissie te bezorgen, zoovele benodigdheden als onze behoeften zouden vorderen, en die voor ons op te slaan.” [3]  Alle ondersteunde gezinnen kunnen 600 turven, twee kannen olie en tien pond gort ophalen. Om transportkosten te besparen rekent de gemeente er in het begin op dat mensen de goederen zelf of via burenhulp voor elkaar halen. Dat de gemeente goed op haar centen let blijkt begin december opnieuw als ze meldt in verband met de naderende winter en de te verwachten stijging van brandstofprijzen 20.000 lange turven heeft ingekocht die om niet mogen worden opgeslagen in het Groot Burgerweeshuis in Kampen.  

Kamperveen bestond uit langgerekte lintbebouwing langs de Hogeweg en heeft daarnaast bebouwing rond Wittenstein in het zuidelijk deel en rond Koelucht in het oostelijke deel. Die verspreide ligging en lange afstanden bemoeilijkt de hulpverlening. De gemeente zou wel, net als Blokzijl, over willen gaan tot het uitdelen van voedzame en versterkende soep, maar schrijft “daartoe echter in de onmogelijkheid [te] zijn, door den groote afstand in de verspreide woonplaats der zieken”. In plaats daarvan kiest ze ervoor ‘eenige ponden rundvleesch’ uit te delen, zodat de getroffenen zelf soep kunnen koken. [4]  

De derde week van december melden zich opnieuw twee gezinnen aan voor steun en is er, na een eerdere melding in november ook weer een dode te betreuren: “Eene moeder van drie kinderen is na ruim een half jaar sukkelen onder haar geweld bezweken en de hoop die wij de vorige week op herstelling nog hadden, schijnt in rook te verdwijnen”. [5]  Een week later zijn er opnieuw twee sterfgevallen, waaronder de echtgenoot van de hiervoor genoemde moeder. De armenstaat zal de kinderen nu onder haar hoede nemen. Half februari wordt opnieuw een overlijden gemeld, dit keer van een kind. Dat brengt het totaal aan overlijdens zoals genoemd in de aanwezige weekrapporten op vijf. In werkelijkheid zullen dat er meer geweest zijn omdat gegevens uit de beginperiode ontbreken. Ter vergelijking: tijdens de watersnood stierven zes mensen in Kamperveen op een bevolking van 533 mensen.  

In de winter vormen niet alleen de afstanden een probleem, maar ook de kwaliteit van de wegen en de gebrekkige staat van de dijken. Kamperveen heeft regelmatig te kampen met wateroverlast, boerderijen worden niet voor niets op terpen gebouwd, maar na de overstromingen van 1825 zit de schrik er nog goed in. Op 20 januari schrijft de commissie dat, als de vorst aanhoudt en de wegen het toelaten, opnieuw turf zal worden uitgedeeld. Een week later wordt dat grootschalig aangepakt: “Uit overweging van de koude, gelijk ook van de mogelijkheid dat door de noodlottige breuk in de nieuw aangelegde Dronterdijk [vermoedelijk wordt de Nieuwendijk bedoeld, TL] Kamperveen nu voor de zee open liggende, bij onverhoopte storm, of ook  bij ongewoon hoog rivierwater zou kunnen worden overstroomd, hebben wij in onze vergadering van de 22 dezer besloten tot, en gisteren bewerkstelligd, eene uitdeling aan ieder huisgezin van 1000 lange turven en eene aanzienlijke voorraad van gort, meel, zout en olie, zoodat bij eene eventuele overstroming allen voor eenigen tijd genoegzaam zijn bezorgd”. [6]  

Illustratie: Dijkdoorbraken rond Kamperveen in 1825.  Links boven, tussen nr 26 en 27, de Nieuwendijk. (Bron: CO toegang 1678 inv. nr. 1558-DK.) Zie kop. 

Het aantal ondersteunde gezinnen in Kamperveen stijgt tussen 17 en 23 februari van veertien naar vijftien, maar blijft dan stabiel tot en met 21 april. Daarna treedt snel verbetering op: het weekrapport van 28 april meldt drie ondersteunde gezinnen. Dat is tevens het laatste rapport uit Kamperveen. De Commissie krijgt uit Zwolle nog een laatste bijdrage van fl.25,- op 2 mei.  

Totaal krijgt Kamperveen fl.800,- uit Zwolle, naast kleding. Het verslag van begin maart vermeld 20 mannen, 20 vrouwen en 20 kinderhemden. Daarmee komt Kamperveen, samen met Giethoorn en Grafhorst op de derde plaats met de hoogte van de Zwolse bijdrage gerelateerd aan het aantal inwoners, na Kuinre-Blankenham en Blokzijl. Kamperveen is de op één na kleinste gemeente die hulp krijgt. Het heeft, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Blokzijl, nooit bijdragen van elders uit het land ontvangen. 

 Grafiek: aantal ondersteunde gezinnen in Kamperveen op basis van de beschikbare week rapportages (17-2-1827 t/m 28-4-1827). Bron: CO toegang 0025 inv nr 19162 en 19163, bewerking auteur. Zie kop.

 [1]  Collectie Overijssel (CO) toegang 0025 inv. nr. 19162.

 [2]  Ad ibidem.

 [3]  Ad ibidem.

 [4]  Ad ibidem.

 [5]  Ad ibidem.

 [6]  Ad ibidem.

Kuinre en Blankenham 

“ZWOLLE, den 30. October. [...]  In de gemeente Kuinre en Blankenham, te zamen bestaande uit eene bevolking van ongeveer 1100 zielen, bevinden zich 468 zieken, en zijn aldaar, van den 1. tot den 27. dezer maand, veertien personen overleden.” [1]  

Op het schrijven van de gouverneur van 25 oktober 1826 richt de burgemeester van Kuinre en Blankenham direct een plaatselijke commissie op bestaande uit de predikant, twee raadsleden uit Kuinre, een uit Blankenham, iemand als secretaris en een penningmeester. [2]  Zoals uit bovenstaand bericht blijkt zijn dat al veertien mensen aan de gevolgen van de ziekte overleden. Ter vergelijking: tijdens de watersnoodramp van 1825 zijn 36 mensen in deze gemeente omgekomen.  

Illustratie: Krantenbericht over de samenstelling van de commissie in Kuinre en Blankenham en de vermelding van de eerste giften. (Bron: Nederlandse Staatscourant 9-11-1826.) Zie kop.

 Het eerste in het archief aanwezige weekrapport van de commissie is van 19 november 1826. Daarin wordt gemeld dat het aantal behoeftigen gelijk is als de week daarvoor: zeventien huisgezinnen met totaal 76 personen ontvangen geld, 63 huisgezinnen, totaal 296 personen turf en aardappelen. Ongeveer een derde van alle huisgezinnen krijgt dan ook al ondersteuning. 

Half februari constateert de commissie dat er door het strenge winterseizoen een volslagen gebrek aan werk is, waardoor het aantal aanvragen om steun groeit. “Vanwege het menigvuldige water op de landen”, is het vinden van werk voor de arbeiders lastig. De hele maand maart blijft het aantal ondersteunde gezinnen stabiel hoog rond de 100. Kennelijk is het gebrek aan werk nu minstens zo’n groot probleem als de omvang van de ziekte omdat begin april het aantal ondersteunde gezinnen scherp daalt van 72 op 7 april, naar 16 op 14 april. De omstandigheden op de velden zijn dan zodanig dat er weer gewerkt kan worden.  

Kuinre en Blankenham krijgen net als Blokzijl steun in de vorm van geld en goederen en ook bijdragen van andere gevers dan alleen de provinciale hoofdcommissie. Bovendien wordt ook hier twee keer per week soep uitgedeeld. Op voorschrift van de medicus bestaat de soep uit vlees, rijst of gort, wortelen en uien. Anders dan elders wordt hulp aan behoeftigen ook in geld verstrekt.  Daar lijkt Zwolle geen bezwaar tegen te hebben. Ook wordt nergens vermeld dat dat gedaan wordt om te voorkomen dat mensen zich schamen om hulp te vragen zoals in Blokzijl. Wellicht geldt voor Kuinre en Blankenham, net als voor Kamperveen, dat het voor de commissie lastig is alle benodigde goederen in te slaan.  

Kuinre en Blankenham krijgt veel goederen van diverse gevers. De maataanduidingen zijn in deze tijd nog niet geüniformeerd. Zo wordt gesproken van balen, vaten, zakken, Nederlandse ponden en schepels. Kledinggiften lijken soms te bestaan uit wat mensen elders over hebben, zoals de gift van drie onderbroeken naast andere kleding zowel uit Haarlem als van de hoofdcommissie. Aan voedingsmiddelen krijgt de gemeente twee baaltjes, een vat en een half vat (Carolina) rijst, een zak Nederlandse gort, vijf Nederlandse ponden sago en 90 schepels boekweit. Aan drinken drie ankers rode wijn (een anker is 35 liter, ca. 45 flessen), een halve anker rijnwijn en twaalf flessen bessennat. Aan kleding 90 hemden, 30 borstrokken, 35 paar kinderkousen, vijftien doeken, negen vrouwenmutsen een niet nader benoemde partij kleding en dus zes onderbroeken. Aan beddengoed 71 dekens, 30 matrassen, 30 peluwen (kussens), 21 lakens en verder nog zes servetten. Gevers zijn behalve de provinciale hoofdcommissie, de commissie voor noodlijdenden te Groningen en elders, Amsterdam en W.V.O. uit Amsterdam [betekenis afkorting niet teruggevonden, TL], Staphorst en Haarlem.  

Illustratie: Giften aan Kuinre en Blankenham begin januari 1827. Bron: Nederlandsche Staatscourant 18-1-1827 (Delpher 1-12-2024). Zie kop  

De gemeente wordt zowel via het water als de weg bevoorraad. De rapporten maken melding van een schipper die goederen uit Zwolle mee zal nemen, maar ook van de huur van een wagen om goederen uit Zwolle op te halen. In het natte seizoen is door het vele water op de landen het aanleveren van turf problematisch.  

Illustratie: “De Commissie neemt de vrijheid hierbij te voegen dat zij in den loop van deze week voornemens is een wagen af te huren ter afhaling der goederen voor haar bij Uwe Excellentie voorhanden zijnde [...]” (Bron: CO toegang 0025 inv nr 19162, weekrapport 5 februari 1827). Zie kop. 

In Kuinre zijn door hulp vanuit Zwolle meerdere medici actief wat merkbaar bijdraagt aan de vermindering van het aantal zieken. Ondanks die zorg stabiliseert dat aantal zich begin januari doordat veel mensen een terugval krijgen. Een patroon dat we ook bij andere gemeenten zien. Wanneer Medic. Doctor Crossant na zeven weken vanwege zijn eigen wankelende gezondheid weer moet vertrekken wordt hij node gemist: “[…] Het aantal zieken is onder deszelfs zorgvuldige, nauwkeurige en active behandeling merkelijk verminderd, terwijl het menschlievend hart het welk Zijn Weled. Gestr. bij elk zijner patienten ten toon spreide, Hem aller achting en liefde deed verwerven. Met zeer veel leedwezen zagen wij dan ook Zijn Weled. Gestr. uit ons midden vertrekken en het was aandoenlijk bij die gelegenheid in alle door zijn Weled. Gestr. behandelde zieken eene gehechtheid aan zijn persoon te ontdekken, die aan veele van wege zijn vertrek, de tranen uit de oogen deed springen. [3]  Einde mei is de behoefte aan medische zorg dusdanig terug gelopen, dat het volstaat dat de dokter uit Blokzijl twee dagen per week naar Kuinre en Blankenham komt. De commissie doet nog een beroep op de ondersteuning van de hoofdcommissie om de kosten hiervan te kunnen betalen. Kuinre en Blankenham is na Blokzijl de meest door de ziekte getroffen gemeente.  

Kuinre en Blankenham krijgen uiteindelijk totaal fl.2100,- van de provinciale hoofdcommissie. Het is het hoogste bedrag per inwoner dat de commissie uitdeelt. 4 april wordt het laatste bedrag beschikbaar gesteld. Daarnaast krijgt de gemeente ook geldelijke bijdragen van elders en veel hulpgoederen van de provinciale commissie en van elders.  

Grafiek: aantal ondersteunde gezinnen in Kuinre en Blankenham op basis van de beschikbare week rapportages (17-2-1827 t/m 25-5-1827). Bron: CO toegang 0025 inv nr 19162 en 19163, bewerking auteur. Zie kop.

 [1]  Arnhemse courant 2-11-1826  (Delpher 1-12-2024).

 [2]  Collectie Overijssel (CO) toegang 0025 inv nr 19162.

 [3]  Ad ibidem.

Oldemarkt

OLDEMARKT, (Overijssel) den 22. October.  De thans algemeen heerschende ziekte, ofschoon hier eenigszins later dan op andere plaatsen doorgedrongen, woedt vooral sterk in het lage gedeelte dezer gemeente  – De sterfte is tot eene zoodanige hoogte geklommen, dat er op eene bevolking, welke in dit seizoen geen 1600 te boven gaat, in deze maand reeds 22 zijn bezweken. – En door het overlijden van den Genees- en Heelmeester Werfelman, ontbreekt in de meer afgelegen plaatsen Calenberg en Ossenzijl, ten eenen male geneeskundige hulp. [1]   

Verloop ziekte 

Op het schrijven van de gouverneur van 25 oktober 1826 worden in vijf gemeenten plaatselijke commissies ingericht, waaronder in Oldemarkt. Zoals uit bovenstaand krantenbericht blijkt zijn er dan al 22 mensen aan de ziekte overleden, waaronder de dokter. Ter vergelijking: een jaar eerder verdronken zeventien mensen in Oldemarkt als gevolg van de watersnoodramp. Hoeveel mensen er in deze eerste fase ziek zijn, wordt helaas niet duidelijk. In het archief ontbreken veel weekrapporten uit die begin periode. Begin januari duikt een weekrapport op waarin wordt gemeld dat 134 huisgezinnen steun ontvangen, bestaande uit totaal 569 zielen.  Dat is ruim een derde van de totale bevolking. Eind januari zijn het 113 gezinnen. Geleidelijk neemt hun aantal af. Soms wordt niet duidelijk of gezinnen steun ontvangen omdat er nog zieken zijn, of omdat het betreffende gezin door eerdere ziekte zodanig verarmd is dat steun nodig is. Regelmatig blijkt dat er in het winterseizoen weinig mogelijkheden voor werk zijn. Zo hoopt de commissie dat begin maart door de ingevallen dooi weer werk beschikbaar komt. De commissie zal inmiddels ook krap bij kas zitten: een week later meldt ze dat ze besloten heeft om negentien van de ‘minst bezwaarde behoeftige gezinnen’ van verdere steun uit te sluiten. Het aantal ondersteunde gezinnen daalt dan ineens van 103 naar 76. Eind maart meldt de commissie opnieuw dat, specifiek in de omgeving van Ossenzijl en Kalenberg door het lage en natte land weinig verdiend kan worden. Het aantal ondersteunde gezinnen loopt geleidelijk terug, maar begin mei zijn het er nog steeds 61. Waarschijnlijk zijn pas dan het weer en de omstandigheden op het land zodanig dat er weer werk voorhanden is. En wellicht wijkt ook de ziekte door het betere weer. Het aantal behoeftigen daalt opnieuw sterk, nu naar 22. Bij het laatste bericht, eind mei, zijn er nog 12 ondersteunde gezinnen. Vergeleken met andere gemeenten loopt de ondersteuning in Oldemarkt lang door.   

Illustratie: Uit het weekrapport van Oldemarkt van 3 maart 1827 waarin de commissie haar hoop uit spreekt dat door de ingevallen dooi en het zachtere weer, velen in de gelegenheid komen weer iets te verdienen. (Bron: CO toegang 0025 inv nr 19162). Zie kop.  

Aard en omvang steun  Oldemarkt krijgt net als Blokzijl niet alleen steun van de provinciale hoofdcommissie maar ook van andere comités. Soms uit omringende gemeenten die zelf behoeftig zijn of worden. Zo meldt het weekrapport van eind november de ontvangst van geldelijke bijdragen uit Kampen en Vollenhove naast een mand met kledingstukken uit Amsterdam.   

In de Staats Courant van 17 januari 1827 staat een overzicht van de giften aan Oldemarkt van oktober tot begin januari. Daaruit blijkt dat slechts een derde van het tot dan totaal ontvangen geldbedrag (fl.1.500,-) van de provinciale hoofdcommissie komt (fl.500,- ). Een belangrijker bron is de plaatselijke commissie uit Zwolle (fl.608,43). [2]  De eveneens door de ziekte getroffen gemeenten Vollenhove ( fl. 126,54), Kampen (fl 30,-) en Zwartsluis (fl.29,95) collecteren voor Oldemarkt en buiten de provincie zijn dat het veel vaker donerende Letterkundig genootschap Aurora uit Den Haag  (fl. 75,-) en de christelijke armoede beweging, de Waldensen (fl. 60,-). Van het ontvangen geld is fl.36,54 specifiek voor Ossenzijl en Kalenberg bestemd.  Waarschijnlijk is een veel groter deel naar deze dorpen gegaan, omdat dit de meest laag gelegen delen van de gemeente zijn, die wellicht het meeste last hebben gehad van de ziekte en van gebrek aan werk door natte omstandigheden. 

Ook op het gebied van goederen zijn andere donoren naast de provinciale hoofdcommissie van betekenis: tot begin januari heeft Oldemarkt van de hoofdcommissie 50 dekens, 90 lakens en 120 hemden ontvangen; van de andere commissie uit Zwolle diverse kledingstukken, 40 dekens en een ton gezouten vlees; uit Vollenhove een zak gort en uit Amsterdam ‘een aanzienlijke partij dek- en kledingstukken, een ankerwijn en eenig andere verfrissingen’.  

Eind januari blijkt dat de commissie minder kan doen dan ze eigenlijk zou willen: 184 gezinnen hebben behoefte aan dekens en kleding, maar slechts 113 hebben wat gekregen. Het aantal gezinnen dat voedsel en turf ontvangt is terug gebracht tot 90, de commissie had ook graag gort, erwten, bonen, en rundvlees ingekocht om uit te kunnen delen, ‘zoo men zegt plaats heeft in eene naburige gemeente’, maar ze hebben er domweg niet voldoende geld voor. Kennelijk kijkt men met een schuin oog naar de buren, waar meer wordt uitgedeeld, zo wordt voorondersteld. Half februari klaagt de commissie opnieuw over ontoereikende middelen als de strenge kou aanhoudt en de gevallen sneeuw blijft liggen, waardoor de ondersteunde gezinnen niet zelf aan verdiensten kunnen komen.  

Door natte omstandigheden en winters weer is bevoorrading in de winter net als elders problematisch. In het rapport van 12 januari zegt de commissie bij voldoende sterkte van het ijs de toegezegde goederen zelf te zullen halen, maar bij open water vraagt de commissie om de goederen per reguliere bootdienst naar Steenwijk te doen bezorgen. Eind januari ligt er kennelijk genoeg ijs en worden per slede 10 dekens, 50 ‘kindshemden’ en 50 paar wollen kinderkousen opgehaald. Eind maart opnieuw een verzoek om toegezegd steun mee te geven met de beurtschipper op Steenwijk.  

In totaal zal Oldemarkt fl.2425,- van de hoofdcommissie krijgen, waarvan het laatste deel begin juni. Oldemarkt hoort daarmee tot de gemeenten die lang steun blijven ontvangen en komt op de zesde plaats wat betreft ondersteund bedrag per hoofd van de bevolking.  

Grafiek: aantal ondersteunde gezinnen in Oldemarkt op basis van de beschikbare week rapportages (12-1-1827 t/m 25-5-1827). Bron: CO toegang 0025 inv nr 19162 en 19163, bewerking auteur. Zie kop.

 [1]  Arnhemse courant 31-10-1826  (Delpher 12-07-2024).

 [2]  Waarschijnlijk wordt hier de commissie voor noodlijdenden te Groningen en elders bedoeld, die ook in Zwolle was gevestigd.

 

Schokland

Schokland en Wanneperveen zijn de twee gemeenten waar als laatste een plaatselijk commissie wordt opgericht. In het verslag van de hoofdcommissie van 7-2-1827 lezen we: “benevens [de verslagen] der twee nieuw opgerigte Commissies te Wanneperveen en Schokland, houdende alle opgaven van den Staat harer administratie en der behoeften. [1]  Uit de aanvraag voor steun van de gemeente Schokland van 1 februari 1827 blijkt dat sommige inwoners dan al zeker een half jaar ziek zijn.  

Uit de toon van de aanvraag valt te lezen dat de gemeente heeft geprobeerd het aanvragen van steun zo lang mogelijk uit te stellen. “...hebben wij vermeend thans niet langer te mogen nalaten om aan uwe Excellentie te adresseeren en nederig te verzoeken dat ook aan de noodlijdenden der zieken in onze gemeente, welke even, als zommige onze nabuurige nog onlangs in staat was iets aan haare toen meer behoeftige natuurgenooten mede te delen, maar nu ook ondersteuning inroepen …”. [2] 

De commissie uit Schokland wordt gevormd door de pastoor en de predikant, waarmee de twee geloofsgemeenschappen uit noord en zuid Schokland beide vertegenwoordigd zijn. De aanvraag gaat vergezeld van een lijst van tien namen van personen die op dat moment ziek zijn. De lijst is opgesteld door de ‘genees-, heel- en vroedmeester’ van Schokland, dr. M. van Kleef, die we kennen uit het verslag van Ter Pelkwijk van de overstromingsramp uit 1825. Toen overleefde hij ter nauwer nood de ramp, en moest toezien hoe zijn ouders voor zijn ogen verdronken door een omvallende schoorsteen. [3]  

Vanaf het begin stuurt Schokland wekelijks het meest overzichtelijke en complete document van alle gemeenten die ondersteuning ontvangen. In vijf kolommen met als koppen: Naam en voornaam der huisgezinnen, Getal der zielen in elk huisgezin;  Getal der zieken; Aangekogte levensmiddelen en brandstoffen; Ontvangen gelden; wordt verslag gedaan.  

Illustratie: Pagina uit het weekrapport van de commissie van Schokland van 17-2-1827. (Bron: CO toegang 0025 inv nr 19162). Zie kop.

Zowel Schokland als Wanneperveen geven, in tegenstelling tot de andere gemeenten, de namen door van de ondersteunde personen of gezinnen. Soms is het lastig te achterhalen of verschillende personen worden bedoeld, als de ene week bijvoorbeeld wordt gesproken over Anne de Graaf en de andere keer over de dochter van weduwe de Graaf. Dit huishouden bestaat uit twee personen, ze krijgen veertien week steun. Met een slag om de arm wordt een kleine 25 verschillende huishoudens met zieken genoemd. Ongeveer vijf keer gaat het om (gezinnen) van weduwvrouwen. Anna Kobus Klapper is de enige wees die in haar eentje een huishouden vormt en twaalf weken steun ontvangt. Wellicht is Klaas, hoofd van het gezin dat wordt aangeduid als broodbakker Klaas ook echt broodbakker van beroep. Het gezin krijgt zes weken steun. Het gezin van weduwe Albert Gerrit Bruin krijgt het langste steun: 17 weken.  Alle drie de leden van dit gezin worden ziek. 

Arie Slot ontvangt steun vanaf half mei. Zijn gezin, bestaande uit drie personen, is het enige huishouden dat de laatste drie weken van juni ook nog hulp krijgt.  

Schokland is één van de vijf gemeenten die tot op het laatst geld uit Zwolle krijgt. Het gaat echter niet om grote bedragen. De gemeente krijgt over de totale periode van vijf maanden fl300,- waar ze ook nog van overhoudt. Schokland hoort met Grafhorst en Kamperveen bij de kleinste gemeenten (respectievelijk 647, 290 en 533 inwoners), maar is ook één van de gemeenten die relatief weinig zieken heeft en de minste ondersteuning per inwoner ontvangt. Er gaan geen goederen richting Schokland. Hoewel de gemeentelijke commissie ook elders heeft geprobeerd ondersteuning te krijgen blijkt uit de wekelijkse overzichten dat dat niets heeft opgeleverd.  

Op 7 juli schrijft de commissie in haar laatste weekrapport: “Wij hebben de eer hierbij over te leggen een staat van uitgaven van de gepasseerde week voor de noodlijdende ziekte in deze gemeente, en daar er nu geen persoonen meer gevonden worden welke aan de heerschende ziekte laboreeren, zo verzoeken wij van Uwe Excellentie te mogen onderrigt te worden waar wij de noch bij kas zijnde gelden ter somma van fl.23,00 moeten overstorten”. [4] 

Grafiek: aantal ondersteunde gezinnen op Schokland op basis van de beschikbare week rapportages (10-2-1827 t/m 30-6-1827). Bron: CO toegang 0025 inv nr 19162 en 19163, bewerking auteur. Zie kop.

 [1]  Collectie Overijssel (CO)  toegang 0025 inv nr 19162.

 [2]  Ad ibidem.

 [3]  Pelkwijk, J. ter, (1826), Beschrijving van Overijssels Watersnood, in Februarij 1825, p.28.

 [4]  CO toegang 0025 inv nr 19163.

Vollenhove

(stad en ambt) [1] 

“Niettegenstaande er in deze afgelopen week wederom één is overleden, doet het zich evenwel aanzien dat wij deze ramp te boven zijn, te meer bij het vooruitzigt van een droog en helder Jaargetij.” [2]  

 Verloop ziekte 

Vollenhove (stad en ambt) richten een plaatselijke commissie in naar aanleiding van het schrijven van de gouverneur van 25 oktober 1826. Ambt Vollenhove krijgt vanaf 6 december steun van de hoofdcommissie, voor de stad Vollenhove begint die steun twee maanden later, vanaf begin februari. In de voorgaande periode heeft Vollenhove zelf steun verleend aan het getroffen Oldemarkt. 

De laatste week van december brengt de gouverneur van Overijssel persoonlijk een bezoek aan de gemeenten in het kwartier van Vollenhove. [3]  Ambt Vollenhove is dan optimistisch over het verloop van de ziekte blijkt uit het citaat hierboven. Helaas is dat niet terecht: de grootste piek in het aantal ondersteunde gezinnen moet nog komen. Pas half maart rekent de commissie erop dat een beginnend herstel door zet. Men verwacht 17 maart een laatste uitdeling van brandstoffen gedaan te hebben. Nu klopt de verwachting wel: de ziekte en de vraag naar ondersteuning nemen beide af.

 Van de stad Vollenhove zijn veel minder cijfers bekend. Hoewel de cijfers van de stad Vollenhove dus weinig compleet zijn, is in de periode maart-mei 1827 heel consequent aangeven in hoeveel gezinnen de ziekte heerst en hoeveel daarvan ondersteund worden. Hieruit blijkt dat het aantal gezinnen met zieken veel groter is als het aantal dat steun ontvangt.  

Grafiek: aantal getroffen huisgezinnen in de stad Vollenhove, met zieken, en het aantal daarvan dat steun ontvangt in de periode 10-3-1827 / 19-5-1827. Bron: CO toegang 0025 inv nr 19162 en 19163, bewerking auteur. Zie kop.

Aard van de hulp 

“Wij hebben de eer uwe excellentie te berigten dat wij wegens de aanhoudende koude in deze afgelopen week eenige huisgezinnen wederom van brand hebben moeten doen voorzien, terwijl wij aan deze eene kleine geldelijke bijdrage hebben gegeven, om hun van het een en ander, bij de commissie niet voorhanden, te voorzien, want alware het ook dat eenigen ook wegens ziekte in staat waren wederom te kunnen werken, zoo is op dit ogenblik volstrekt geene arbeid te bekomen [...]”. [4]  

 Hoewel de meeste gemeenten alleen hulp in natura verstrekken, deelt ambt Vollenhove ook beperkt geld uit. Van de provinciale hoofdcommissie krijgt ambt Vollenhove geld en textiel, de stad alleen geld. Totaal krijgen ze respectievelijk fl.1350,- en fl.750, waarbij ambt Vollenhove ook nog 25 lakens, 25 borstrokken en 25 paar wollen kinderkousen krijgt. Beide gemeenten melden niet dat ze giften van andere instanties gekregen hebben. De steun aan biede gemeenten loopt lang door.  

Grafiek: aantal ondersteunde gezinnen in Vollenhove (stad en ambt) op basis van de beschikbare week rapportages (20-12-1826 t/m 25-5-1827). Bron: CO toegang 0025 inv nr 19162 en 19163, bewerking auteur. Zie kop.

 [1]  Ambt Vollenhove bestond volgens een opgave uit 1830 uit de buurtschappen Kuinderdijk en Baarlo, Barsbeek en Leeuwte. Bron: Gemeentearchief Steenwijkerland, toegang 28, gemeente Ambt Vollenhove 1818-1942.

 [2]  Weekrapport commissie ambt Vollenhove 23-12-1826. Collectie Overijssel (CO) toegang 0025 inv. nr. 19162.

 [3]  Nederlandse Staatscourant (NSc), 5-1-1827 (Delpher 16-9-24).

 [4]  CO 0025 inv nr 19162, weekrapport ambt Vollenhove 3-2-1827.

Wanneperveen

Ter Pelkwijk eindigt zijn rapportage over de gebeurtenissen tijdens de watersnood in Wanneperveen met de volgende woorden: “Evenwel blijft het vooruitzigt in de toekomst kommervol, daar de schade, door de minstvermogende klasse geleden, zoo groot is, en de bijna geheele vernieling der rietlanden, welke derzelve, in den winter en het vroege voorjaar, arbeid en dus een bestaan verschaffen, nog lang de schadelijke gevolgen voor haar hebben zal. [1]  

Ondanks de voorspelling van Ter Pelkwijk dat velen in Wanneperveen een armoedige periode tegemoet gaan wordt hier, net als op Schokland pas laat een plaatselijk commissie opgericht. De burgemeester stelt zich aan het hoofd van de commissie van Wanneperveen en Dinxterveen en schrijft op 5 februari 1827 aan de provinciale hoofdcommissie: “Ofschoon deze gemeente vele redenen heeft der voorzienigheid te danken voor eene gunstige verschooning der heerschende ziekte boven vele andere, zoo doet zich thans in dit jaargetijde en bij de langdurige herstellinge en weder instorting der lijders, de behoefte  door de heerscende ziekte veroorzaakt, sterker gevoelen dan men oppervlakkig zou gedacht hebben. Buiten staat om als naar gewoonte in dit seizoen door hunner handen arbeid  het brood te winnen en slecht van dekking en linnen voorzien, zoo is hierdoor bij verscheidenen huisgezinnen den ondersteuning noodzakelijk geworden, zullen zij niet ten laste der Diakonien geraken, daar hier geene andere middelen tot onderstand der zelve aanwezig zijn”. [1]  Bijgevoegd is een lijst met 36 namen van behoeftigen en hun omstandigheden. Geen enkele andere gemeente levert zulke gedetailleerde informatie aan. Uit de lijst blijkt dat veel mensen al langere tijd ziek zijn. Enkele voorbeelden uit die lijst: 

"2. Hendrik Knol: Sedert lang door ziekte niets verdiend en heeft eene vrouw met 8 kinderen.  12. Een zoon van de wed. Jan Hannes Hoen: Daar deze zoon die anders zijne Moeder ondersteunt niets kan verdienen, zoo is hierdoor de onderstand noodzakelijk in dit behoeftige huisgezin.  13. Geert Tromp: Is meer dan ¼ jaar, en thans nog gevaarlijk ziek, zonder eenig middel van bestaan en 7 of 8 kinderen.  17. Luite van De Belt: Schippersknecht; een geruime tijd ziek, een vrouw met 4 kinderen en zeer behoeftig.  18. De wed. Jakob Ringenier: Haar man en één kind aan de heerschende ziekte overleden, zonder eenig middel van bestaan, en is met haar nog overgebleven kind, zeer behoeftig.  25. Roelof Alberts Basem: Turfmakersknecht, die door de ziekte bijna den geheelen zomer zonder verdienste is geweest34. De wed. Jakob Doosjen: Haar man aan de heerschende ziekte overleden; terwijl een harer kinderen nog sukkelt; de weduwe zonder verdienste en ten hoogste armoedig. [3] 

Op deze aanvraagt volgt een eerste bijdrage uit Zwolle aan Wanneperveen van fl.300,-. Geen geringe bijdrage in vergelijking tot wat andere gemeenten krijgen. 

Op de lijst van behoeftigen staan twee namen die Ter Pelkwijk ook noemde vanwege de moedige rol die zij speelden ten tijde van de watersnood: Harm Jalving (nr 4) “is door de heerschende ziekte ruim ½ jaar zonder verdienste geweest en zeer behoeftig”, en Jan Krijns Huisman (nr. 8) is net als zijn moeder, de weduwe Krijn Huisman “langdurig en aanhouden ziek en heeft aan alles behoefte”. In een betrekkelijk kleine gemeenschap zal hun rol tijdens de watersnood vast niet vergeten zijn.  

Ter Pelkwijk beschrijft hoe Harm Jalving begin februari 1825 twee dagen actief bleef, zonder enige rust te nemen, waardoor hij uiteindelijk, op zondag, door natheid, koude en uitputting zodanig verkleumd was dat hij geen gevoel meer had in handen en voeten en bewusteloos op bed werd gelegd. Met behulp van kannetjes heet water warmde hij langzaam weer op en herstelde. De ‘jongeling’ Jan Krijns Huisman maakte zich in het westelijk deel van Wanneperveen verdienstelijk door met gevaar voor eigen leven op vrijdagmiddag met een punter iemand op de Veeneweg te redden en vervolgens in zijn eentje de hele nacht mensen vanuit hun overstroomde huizen naar reddingsschepen te brengen. [4]  

Terug naar 1827: vanaf begin februari stijgt het aantal zieken en het aantal ondersteunde huisgezinnen om vanaf half maart geleidelijk te dalen. De bijdragen uit Zwolle zijn bedoeld voor voedsel, brandstof en textiel, maar in haar weekrapport van 9 maart vraagt de commissie om geld voor ‘eene bijzondere voorziening’; het inroepen van geneeskundige hulp ten behoeve van “een huismoeder, en twee huisvaders die ten gevolge van de heerschende ziekte aan het water laboreren”. [5]  Kennelijk is dit een vorm van de aandoening, waarbij bekend is dat geneeskundige hulp uitkomt kan bieden. Ook deze hulpvraag wordt gehonoreerd. Half april meldt de commissie een tijdelijke stijging in het aantal zieken, maar gelukkig neemt de ziekte dan geen gevaarlijke vormen meer aan.

Op 1 juni 1827 deelt de commissie voor het laatst geld uit aan behoeftige gezinnen en wil niet langer een beroep doen op de steun van de hoofdcommissie: “Hoewel men niet ontkennen kan, dat hier uit hoofde van ziekte zekerlijk nog behoefte bestaat, gevoelt echter de commissie te zeer de heilrijke gevolgen die de menschlievendheid der Hoofdcommissie in deze gemeente reeds daargesteld heeft, dan dat zij zouden durven bestaan verder de milddadigheid dier Hoofdcommissie in te roepen, uit naam der beweldadigden betuigt de commissie Uwe Excellentie haren opregtsten dank voor den onderstand aan deze hulpbehoevenden verleend. [6]  Ondanks het feit dat de commissie dus van verdere steunverzoeken afziet terwijl er nog wel zieken zijn, krijgt de gemeente eind juli bij de eindafrekening, nog fl.156,60 van de Hoofdcommissie. In totaal krijgt de gemeente fl.1057. 

Grafiek: aantal ondersteunde gezinnen in Wanneperveen op basis van de beschikbare week rapportages (5-2-1827 t/m 1-6-1827). Bron: CO toegang 0025 inv. nr. 19162 en 19163, bewerking auteur. Zie kop.

 [1]  Pelkwijk, J. ter, (1826),  Beschrijving van Overijssels Watersnood, in Februarij 1825, p.99. 

 [2]  Collectie Overijssel (CO) toegang 0025 inv. nr. 19162.

 [3]  Ad ibidem.

 [4]  Pelkwijk, J. ter, (1826),  Beschrijving van Overijssels Watersnood, in Februarij 1825, p.93-97.

 [5]  CO toegang 0025 inv. nr. 19163.

 [6]  Ad ibidem.

IJsselmuiden en Grafhorst

Voorts gelezen eene missieve van den Heer Med. Dr. Hoffman te Kampen, in antwoord op de daaromtrent gedane vraag, te kennen gevende dat de heerschende ziekte zich wel degelijk in de Gemeente IJsselmuiden, zoo ook in die van Grafhorst verspreid had en behoefte bij sommige huisgezinnen deed ontstaan. [1]  

 IJsselmuiden en Grafhorst horen niet bij de gemeenten die zich direct na de oproep van de gouverneur van eind oktober bij de provincie melden. Uit bovenstaand bericht blijkt dat in november navraag is gedaan via de dokter uit Kampen of deze gemeenten ook door de ziekte zijn getroffen. Dat is het geval. Het eerste weekrapport van IJsselmuiden dateert van begin december. Dan is men optimistisch en ziet een herstellende lijn bij de getroffenen door de ziekte.   

In het volgende verslag van de hoofdcommissie wijst zij IJsselmuiden terecht omdat de gemeente fl.25,- van de toegekende fl.100,- heeft besteed aan medicamenten, wat niet valt binnen de voorschriften van de hoofdcommissie. IJsselmuiden houdt zich vervolgens aan de bestedingsvoorschiften maar geeft de hoofdcommissie half januari toch in overweging om op den duur ook geld uit te trekken voor ‘genees- en artsenij-mengkundige’ hulp. Begin april meldt ze nogmaals dat mensen vragen om ondersteuning voor medische hulp, maar dat ze daarin niet kan voorzien.

Het eerst aanwezige rapport van Grafhorst dateert van 13 januari. Er waren toen veertien hulpbehoevende huisgezinnen. Vanwege overlijdensgevallen twee minder dan de week daarvoor. In Grafhorst bestaat, net als in IJsselmuiden, vooral behoefte aan brandstof en levensmiddelen. IJsselmuiden deelt ook zo af en toe linnen en kledingstukken uit. 

Op 11 februari ontvangt de hoofdcommissie een klacht uit Grafhorst van M. van As, die betoogt dat de burgemeester van Grafhorst hem en zijn gezin te weinig bedeeld, terwijl in de gemeente ook lieden zijn die wel bedeeld worden, terwijl zij niet aan de ziekte lijden. Onder hen herbergier Ruth van der Woude, de broer van de burgemeester van Grafhorst. De burgemeester van Kampen, de heer Lemker, wordt gevraagd de zaak te onderzoeken. Persoonlijke omstandigheden worden uitgeplozen. Lemker bevestigt dat de door van As genoemde personen inderdaad turf hebben gekregen, hoewel ze niet allemaal ziek waren. Een van deze mensen is overigens inmiddels overleden. Hij constateert dat iedereen die steun kreeg wel behoeftig was. Zowel de herbergier als van As kunnen slecht van de drank afblijven waardoor ze wellicht verzwakt zijn en vatbaarder voor ziekte, maar ook minder te besteden hebben. Van As zou in principe aardig voor zichzelf moeten kunnen zorgen omdat hij als oud-militair en gepensioneerd wachtmeester, een redelijk pensioen krijgt en bovendien een bijdrage uit het fonds Waterloo. Zijn dochter heeft een dienstbetrekking in Kampen. Kortom: volgens Lemker is de klager zelf redelijk voorzien en krijgt ondanks dat bij de komende uitdeling weer een bijdrage. 

Illustratie: Reactie van de burgemeester van Kampen op de klacht van M. van As, een inwoner van Grafhorst, waarin de burgemeester aangeeft dat de klager naar zijn idee over voldoende middelen beschikt. (Bron: CO toegang 0025 inv nr 19162). Zie kop.

Grafhorst geeft vervolgens een gedetailleerd overzicht van de ondersteunde gezinnen in de periode van 13 januari tot en met 14 februari. Onder hen J. Penninkhof en Jb. van den Beld. Wellicht zijn dit dezelfde personen als Jan Penninkhof en Jacob van den Beld die genoemd worden door Ter Pelkwijk. 

Ter Pelkwijk beschrijft hoe Jan Penninkhof met Jan Aarts februari 1825 bezig was meubelen te redden toen zijn schuit omsloeg. Ze konden zich aan een boom vastgrijpen waar ze meer dan een uur in de hevige stroom aan een tak hingen. Na een eerste vergeefse poging werden ze door Jacob Penninkhof en Jakob Beld gered. De volgende dag gingen Adolf Penninkhof, Jan Penninkhof en Jacob van den Beld bovendien naar Kampereiland om ook daar te helpen bij reddingswerkzaamheden. [2]   

Begin maart rapporteert IJsselmuiden een beperkte afname van het aantal behoeftige huisgezinnen, hoewel het voor arme dagloners moeilijk blijft om werk te vinden. Die dalende lijn, maar zonder concrete cijfers, zet zich in maart verder voort. Ook Grafhorst meldt een terugloop van het aantal behoeftige gezinnen. 

Het laatste weekrapport van IJsselmuiden is van 21 april 1827, waarin de commissie aangeeft dat de ziekte vrijwel is verdwenen, maar dat ze voor de zekerheid toch nog wat geld in kas houdt. Alleen van 17 februari zijn cijfers bekend van het aantal ondersteunde huisgezinnen in IJsselmuiden. Toen waren dat er 50.  

Het laatste weekrapport van Grafhorst is van 26 mei 1827. Daarin geeft Grafhorst aan dat de ziekte inmiddels zodanig is afgenomen dat het nog aanwezige saldo de komende weken zal worden uitgedeeld, waarna de commissie haar eindafrekening naar de hoofdcommissie zal sturen. 

IJsselmuiden krijgt totaal  fl.1000,- van de provinciale hoofdcommissie; Grafhorst fl.445,- . In verhouding tot het inwonertal komt Grafhorst (290 inwoners) op de derde plaats wat betreft hoogte van de bijdrage van de hoofdcommissie. Uit de weekrapporten blijkt niet dat IJsselmuiden of Grafhorst ook geld of goederen van anderen hebben gekregen.  

Grafiek: aantal ondersteunde gezinnen Grafhorst op basis van de beschikbare week rapportages (12-1-1827 t/m 25-5-1827). Bron: CO toegang 0025 inv nr 19162 en 19163, bewerking auteur. Zie kop.

 [1]  Notulen provinciale hoofdcommissie 29 november 1826. Collectie Overijssel (CO) toegang 0025 inv. nr. 19162.

 [2]  Pelkwijk, J. ter. Beschrijving van Overijssels watersnood, in Februarij 1825 p.147-151.

Zwartsluis

De commissie te Zwartsluis, die, na alvorens voor andere plaatsen te hebben ingezameld in de helft der vorige maand gedrongen werd de milddadigheid tot ondersteuning van derzelver eigen zieken in te roepen, heeft sedert tot dat einde, van de hoofdcommissie te Zwolle fl. 300,- en eenig linnengoed, van de andere commissie te Zwolle [1]  fl.80,- en eenige levensmiddelen, van de commissie te Vollenhove fl. 25,-, van de hervormde gemeente te Schiedam fl. 100,- en uit Wageningen fl.12,37,1/2 ontvangen; heeft daarvan in dato 11den dezer, berigt gedaan en beveelt harer behoeftige lijders verder der menschlievendheid aan”. [2]  

Verloop ziekte 

Op het schrijven van de gouverneur van 25 oktober 1826 bericht de gemeente Zwartsluis dat de inwoners niet lijken te lijden aan de heersende ziekte. Daarom is het instellen van een commissie niet nodig. Wel houdt de gemeente een collecte voor getroffenen elders.   Uit de notulen van de provinciale hoofdcommissie blijkt de situatie half december gewijzigd: de gemeente is inmiddels ook zelf behoeftig geworden.  Het eerstvolgende weekrapport van de commissie in het archief is van 22 december. Daarin meldt de gemeente dat de toestand van de ziekte min of meer stabiel is, maar dat er inmiddels wel meer gezinnen steun ontvangen: namelijk 30. Binnen die gezinnen lijden 31 mensen nog duidelijk aan koorts, terwijl er 26 herstellende zijn.   Half januari is het aantal ondersteunde gezinnen tot 39 gestegen. Die trend zet door. 

Eind februari neemt de ziekte opnieuw toe en de vraag om ondersteuning nog extra, doordat, net zoals elders door gebrek aan werk op het land, door stilstand van de scheepvaart en de fabrieken het voor herstellenden moeilijk is werk te vinden. 

 Illustratie: uit weekrapport van Zwartsluis van 3-3-1827 waarin een overzicht gegeven wordt van het aantal zieken. (Bron: Collectie Overijssel toegang 0025 inv nr 19162). Zie kop.

Begin maart blijkt dat de gemeente daarom genoodzaakt is tot een strenge selectie van wie voor steun in aanmerking komt. Ze kiest daarbij voor gezinnen met zieken die medische hulp nodig hebben en voor gezinnen die door de gevolgen van de ziekte volstrekt hulpbehoevend zijn geworden. Wie werkt krijgt geen onderstand meer. 

Toch vindt er nog een terugslag plaats: de derde week van maart neemt de ziekte weer toe en is er zelfs een sterfgeval te melden en eind maart is het opnieuw moeilijk om werk te vinden door het hoge water. Maar begin april verbetert de situatie echt. Het aantal ondersteunde gezinnen daalt sterk.  

Aard van de hulp 

Zwartsluis ontvangt behalve geld ook goederen. Bovendien ontvangt ze niet alleen steun van de provinciale hoofdcommissie maar ook van elders. In totaal gaat het om 62 lakens, 20 dekens, 140 hemden en negen slaapmutsen. Gevers van geld en goederen zijn behalve de provinciale commissie, de commissie voor noodlijdenden te Groningen en elders, weer een wat merkwaardige verzameling: Vollenhove, de hervormde gemeente uit Schiedam, een anonieme gever uit Wageningen en een predikant uit Gent. De gift uit Schiedam is in Russische coupons gedaan. 

 Aanvankelijk is de bijdrage vanuit Zwolle niet bedoeld voor medische hulp. Toch is daar in Zwartsluis wel behoefte aan. De gemeente schrijft: “De commissie, […] bevind, dat vele lijdens sukkelende blijven, doordat zij de nodige geneeskundige hulp niet kunnen bekomen, en heeft daarom geoordeeld ook hier in te moeten voorzien, opdat deze te eerder in staat zouden zijn, om door werkzaamheid hunne eigen behoeften zonder vreemden onderstand te vervullen. Zij ziet wel, dat dit meerdere kosten zal veroorzaken, maar vertrouwt op de ondersteuning der provinciale Hoofdcommissie te kunnen rekenen. [3]  Zwolle geeft toestemming voor dit gebruik van ondersteuning. Begin mei beperkt de commissie haar steun bijna uitsluitend tot medische hulp. 

  Zwartsluis hoort bij de laatste vijf gemeenten die nog steun uit Zwolle ontvangen. Ze krijgt totaal fl.950,- van de provinciale commissies. Daarmee is het een van de gemeentes met de laagste bijdrage per inwoner. Wel krijgt de commissie de nodige ondersteuning in goederen en dus ook hulp van elders. Zwartsluis hoort ook bij de groep gemeenten die relatief mild door de ziekte getroffen is. 

Grafiek: aantal ondersteunde gezinnen in Zwartsluis op basis van de beschikbare week rapportages (23-12-1826 t/m 2-6-1827). Bron: CO toegang 0025 inv nr 19162 en 19163, bewerking auteur. Zie kop.

 [1]  Nederlandse Staatscourant 18-1-1827 (Delpher, 5-7-2024).

 [2]  Waarschijnlijk wordt hier de commissie voor noodlijdenden te Groningen en elders bedoeld, die ook in Zwolle was gevestigd.

 [3]  Collectie Overijssel (CO) 0025 inv nr 19163.

De stormvloed van 1825 was een catastrofale ramp voor de bewoners, maar veranderde niet direct hun manier van leven. Na de overstroming werd de schade hersteld, en de mensen gingen door met hun oude gewoontes. Zowel de overlevenden als nieuwkomers leefden weer zoals ze altijd hadden gedaan.

De ramp van 1825 was één van de zwaarste overstromingen in de delta, maar net als bij eerdere overstromingen pakten de mensen het leven weer op met dezelfde aanpak. De echte verandering kwam pas jaren later. De ramp zorgde ervoor dat mensen anders gingen nadenken over waterbeheer en het organiseren van dijkonderhoud. Dit leidde uiteindelijk tot hogere dijken en het einde van deze oude manier van leven.

Impact van de ramp op waterbeheer

Een gevolg van de watersnoodramp was dat er in Nederland meer aandacht kwam voor de dijken. In Overijssel werden op 1 maart 1836 alle oude polder- en dijkbesturen afgeschaft. In plaats daarvan kwamen er negen nieuwe dijkgebieden. Deze nieuwe dijkgebieden kregen geld van de overheid om de dijken beter te beschermen.

Ook kregen de provincies meer invloed op de waterschappen. Voorheen werden de waterschappen vaak zelfstandig en niet altijd goed bestuurd door verschillende groepen. Door de nieuwe rol van de overheid verbeterde het waterbeheer snel.

In 1916 zorgde een grote overstroming opnieuw voor veel schade, vooral in Noord-Holland. Deze ramp leidde tot het besluit om de Zuiderzee af te sluiten. Dit werd de Afsluitdijk, die vanaf 1932 het gebied rond de Zuiderzee en de IJsseldelta veilig maakte tegen overstromingen.

Water en onze toekomst

Nu, 200 jaar na de ramp, hebben we door klimaatverandering opnieuw te maken met risico op overstroming. De kustgebieden krijgen steeds vaker te maken met zout water en hoge waterstanden. Nieuwe overstromingen zijn niet meer helemaal uit te sluiten. Eén van de scenario's om met de stijgende zeespiegel om te gaan is mee bewegen met het water, zoals met in de IJssel- en Vechtdelta eeuwenlang heeft gedaan. Als we beter begrijpen hoe de mensen in deze regio vóór 1825 met water leefden, kunnen we daar misschien inspiratie uit putten voor de toekomst.

Totstandkoming

Deze website is tot stand gekomen door onderzoek en bijdragen van vele vrijwilligers en was een samenwerking van Het Oversticht, de Overijssel Academie en Waterschap Drentse Overijsselse Delta en mogelijk gemaakt door subsidies van Provincie Overijssel 'Het Verhaal van Overijssel' en het Cultuurfonds 'Fonds voor Archeologie en Publiek'.

Auteurs:

Verhalen binnen kaart 'Stormvloed 1825'

Evert de Boer, Albert Hulsman, Paula Kuiper/Liesbeth Hermans, Albert Greveling, Anna van 't Hul-Kroes

Willempje Veldkamp

Dirk Haasjes

De overstroming van Schokland

Anna van 't Hul-Kroes

Het verhaal van Jan Meulman

Immy Mars-Prins opgetekend door Liesbeth Hermans

Zeedijk rond Den Alerdinck

Marije Keizers

Boerderij De Hemel

Huub Mensink

ramp door ramp

Toos Lodder

Leven met water

Bert Kaptijn, Kees Canters, Janny Bas, Toos Lodder

Fotografie

Laura van Gaans

De zeewering van het voormalige eiland

Middeleeuwse kerkruïne van de Oude Kerk van Ens, op de zuidpunt van Schokland (afgebroken rond 1820)

Hoogwaterkanon bij Musuem Schokland. Oorspronkelijk stond dit kanon op de zeedijk bij Vollenhove, maar werd in de jaren 1940 geschonken aan de directie van de Wieringermeer (Noordoostpolderwerken).

De tocht die Jan en zijn moeder Ymkje in de stormnacht van 4 op 5 ferbuari 1825 in hun bootje hebben afgelegd (een tocht van hemelsbreed zo'n 12,5 km)

Figuur 1. Handtekeningen onder de trouwakte van 4 februari 1825 1  

Figuur 2. De woningen van bruid en bruidegom en de Herberg de Ruiter, ondergrond Minuutplan Dalfsen K4.  

Figuur 3. De bemanning van de 3 uitgevaren schepen en hun familierelaties (za: alleen zaterdag, zo: alleen zondag) 

Figuur 5 Aantal geredde mensen en mogelijk een vaarroute.  

Figuur 6. Huwelijksregister van de Nederlandse Hervormde gemeente in Dalfsen 9  

Figuur 7. Schippers en hun huizen in eigendom rond 1825 10  

Figuur 8. Handtekeningen onder de kwitantie van f. 41,-- 11  

Figuur 9. Bertha Schuttevaar, Johan Schaeffer en kinderen (foto Historische Kring Bemmel) 

topografische kaart ca. 1890 met boerderijen De Hemel en De Hel in Dieze

Geldelijke noodhulp uitgekeerd door provinciale commissie per gemeente (grootte bol: verhouding tot bevolkingsaantal)

Ondersteuning slachtoffers epidemie (% zielen t.o.v. totale bevolking)